Lees alles over De Nalatenschap, Uitgebroken, Nick en oom Frans en andere boeken van Theo-Henk Streng

Halte 14 en de duiven

Theo-Henk Streng Halte 14 en de duiven
”Wacht maar eventjes, lieverd,” zei oma zoetjes, terwijl ze haar snotdoekje tevoorschijn toverde. ”Steek je snuitje eens naar omie toe, zo ja.”Hardhandig veegde ze de chocoladepasta weg van Alberts gezichtje. Haar 8-jarige kleinzoon trok een pijnlijk gezicht, maar grootmoe was al klaar. Ze kneep hem fijntjes in zijn wangen. ”En, lief?,” vroeg ze, ”wat ga je strakjes allemaal aan mama vertellen?”
”Dat het gezellig was bij jou, oma,” zei Albert braaf.
”Goedzo, kleine knul van me. En wat hebben we gisteren ook weer gedaan?”
Albert kreeg een lijdende rimpel in zijn gezicht bij de herinnering. ”De eendjes gevoed,” stamelde hij. ”Toch oma?” Hij had zich dood verveeld.
”Juist ja, de eendjes gevoerd. En dat vond omie heel erg gezellig.”
Ze stonden op het centraal station. De trein die Albert naar huis zou voeren kon ieder moment arriveren. Vanaf hier wist hij zelf hoe hij moest reizen. Hij had het al vaker gedaan.
”Kom je gauw nog eens bij omie langs?” vroeg oma, met fonkelende oogjes.
”Ja, oma,” zei Albert. ”Wanneer komt de trein?”
”Die kan ieder moment arriveren, snoes,” zei oma fijntjes. ”En niet vergeten te bellen als je thuis bent, hè? En ook niet vergeten dat mama bij de eindhalte op je wacht.”
”Nee, oma,” zei Albert. Hij keek verlangend naar de rails en haalde opgelucht adem toen het gele NS-monster verscheen. Hij was even bang geweest dat de trein hem in de steek had gelaten.
Het toestel kwam met een hels kabaal tot stilstand en een monotone stem klonk uit de luidsprekers. Albert kon de stem niet verstaan, want oma trok hem tegen zich aan en knuffelde hem nog een laatste keer.
”Oma komt je gauw weer opzoeken, lieveling,” zei ze. ”Dan neemt oma weer lekkere bonbons mee, daar hou je toch zo van?”
Albert verslikte zich bijna, maar knikte braaf. ”Ja, oma,” zei hij. ”Lekkere bonbons.”
”Goedzo, fijne jongen,” glunderde oma. ”Ga nu maar gauw, toe maar.”
Een laatste knuffel en Albert stapte haastig in de trein, bang dat die voor zijn neus weg zou rijden. Daar moest hij echt niet aan denken. Hij zocht een plekje aan de andere kant van de trein, bij een raam, zodat oma hem niet meer kon zien.
Hij had wel genoeg oma gehad de laatste dagen.
De trein maakte zich klaar voor de start en oma zocht haastig naar haar kleinzoon, maar kon hem niet vinden. De trein kwam in beweging en met een zure grimas zwaaide oma de trein na, niet wetend waar Albert zat. Daar moest hij nog wat leren, vond ze. Hoe kon oma nu naar hem zwaaien als hij aan de verkeerde kant zat?!
Oma rustte eventjes uit op haar zwarte wandelstok. Haar schoudertas voelde plotseling een stuk zwaarder aan, nu er niemand was die haar kon helpen hem te dragen.
Langzaam beende ze de stationhal uit, naar de streekbussen.
En ja hoor, vlak voor haar gleed lijn 14 weg. Oma blies een flinke teut adem uit en bleef uithijgen op haar wandelstok. Het laatste stukje naar de afgelegen halte legde ze rustig af. Ze streek neer op het metalen bankje tot de volgende bus zou komen. Jammer dat de bus maar eens in het uur ging.
Halte 14 lag helemaal aan het uiterste van het streekbusstation. Het lag verscholen tussen een flinke rij bomen, een andere bushalte, die al jaren buiten werking was, en een groot kantoorgebouw. ‘Pidg Electronics’, duidde de voorgevel van het gebouw aan. Het was zeker twintig etages hoog en oma vond het een afzichtelijk gebouw, zoals het daar was opgetrokken uit spiegelglas en staal.
Hoe langer oma in de schaduw van het kantoorgebouw zat, hoe kouder ze het kreeg. Boven haar hoofd vlogen en kwetterden een aantal vogels.
Haar horloge had nog nooit zo langzaam gelopen, en dat terwijl het ding al vijftig jaar oud was. Ze zuchtte en brieste uit verveling. Er was verder helemaal niemand met wie ze een praatje kon maken. De andere mensen waren tientallen meters bij haar vandaan, bij de haltes voor de grote steden; Amsterdam, Breda, Utrecht en Rotterdam. Er was niemand die met haar meeging naar Blijdervelde. Er was hier waarschijnlijk niemand die ooit van dat dorp gehoord had.
Oma zuchtte en opende haar lederen tasje. Ze doorzocht wat spulletjes en stelde tevreden vast dat Flip de Beer nog in haar bezit was. Albert kon niet zonder dat witte mormel en zijn mammie en hij zouden vast vanavond nog op de stoep staan.
Verder ontdekte ze een zakje met brood. Het waren de resten van de broodjes die Albert en zij gisteren aan de eendjes hadden gevoerd. Een sinistere glimlach gleed over haar mond toen ze eraan terugdacht…
Oma trok het zakje met brood eruit. De kruimels waren vrij fors. Sommige waren eigenlijk net iets te groot om door een eendenkeeltje te glijden. Dat had gisteren leuke taferelen opgeleverd. Hoestende eenden. Oma had heel wat in haar knuistje gelachen.
Ze opende het zakje en gooide een klein stukje op de grond, vlak voor een duif. De duif liep kalmpjes naar het stukje toe en porde er met zijn snavel in.
Een fijn lachje krulde rond oma’s lippen. ”Toe maar, duif. Hap, hap…”
De duif nam een hapje en spuwde het stuk even later weer uit. Hij bleef nog even rond het stukje brood trappelen, stak de rest in zijn snavel en vloog weg. Zijn vleugels flapperden vlak langs oma’s gepermanente haar. Een rilling gleed over haar rug.
De duif verdween boven de bomen en vloog naar het dak van Pidg Electronics. Oma strooide nog wat stukjes rond en fladderend schoten twee andere duiven erop af.
De beestjes vochten om het stukje brood. Een wild gekrijs steeg op toen de duiven elkaar met hun snavels te lijf gingen. Oma glimlachte.
Ze gooide nog meer stukjes brood op de grond en in een oogwenk verschenen er nog meer duiven. Het gefladder weerklonk nu overal om haar heen. Tientallen duiven landden voor oma, op de rijbaan van lijn 14. Met een beetje geluk zouden ze de bus niet horen aankomen…
Plotseling hoorde oma een gewelddadig geklapwiek. Een schaduw viel over haar heen. Oma verstarde en staarde ontsteld naar boven. De blauwe lucht boven haar was totaal verdwenen en had plaats gemaakt voor een krioelende massa.
Een meter of twintig verderop keken de wachtende passagiers verbouwereerd toe hoe een enorme grijze wolk duiven zich op het achterste bushokje stortte.

De moeder met het huilende kind stapte kordaat de trein uit. In flinke pas galoppeerden ze naar het streekbusstation.
”Rustig nou maar, lieverd,” zei mama. ”Oma heeft Flip nog wel ergens.”
Ze begon zich er onderhand aan te ergeren. Albert was acht jaar! Welk kind van die leeftijd speelde nog met beren?! Of was ze misschien iets te streng voor hem?
”Kom schat, doorlopen. Anders missen we de bus. En we moeten vanavond ook nog terug naar huis.”
Ze staken de haltes over. Het bord van halte 14 stak dreigend af tegen de rode avondlucht.
Mama en Albert gingen op het koude metalen bankje zitten en even viel mama’s blik op een voorwerp op de grond.
”Nee maar,” zei ze verbaasd, ”is ze toch niet helemaal perfect.” Ze pakte het horloge van de grond en stopte het in haar jaszak. ”Dit oude ding is vast en zeker van oma,” zei ze tegen Albert. ”En maar beweren dat ze onfeilbaar is. Há, ze zal nog vreemd opkijken.”
Terwijl bus 14 voor kwam rijden en moeder en zoon instapten, hield een grijze duif zich bezig met Flip de Beer, zo’n veertig meter boven hen. Op het dak van Pidg Electronics.
Het geliefde knuffeldier was rood uitgeslagen. Er zaten rode spetters op zijn witte huidje en een van de kralen was uit zijn ogen getrokken.
Een halve meter verderop lagen een afgeknabbelde hand, een zwarte wandelstok en een paar plukken gepermanent haar.