Lees alles over De Nalatenschap, Uitgebroken, Nick en oom Frans en andere boeken van Theo-Henk Streng

Vossenjacht

Theo-Henk Streng Vossenjacht
In nog geen tien minuten raakten Rino en Fred hun groepje kwijt. Sebastiaan en de rest stonden te zeuren bij juf Ingrid, die verkleed als dinosaurus door de Gasperstraat doolde.
Tien minuten was de vossenjacht pas bezig en nu al waren ze hun groepje kwijt. Goed werk. Daar waren ze het over eens.
”Als ze maar niet denken dat wij de rest van de middag met ze meelopen,” zei Rino. ”Die kinderachtige vossenjacht kan me helemaal gestolen worden. We zijn toch geen kinderen meer?”
Zijn vriend Fred knikte. ”Laten we snel die puzzelstukjes bij elkaar zoeken, dan hebben we dat maar vast gedaan. Misschien kunnen we onderweg in de supermarkt nog een zak chips en wat flesjes RedBull kopen.”
”Goed idee,” vond Rino.
Ze liepen de hoek om en keken op de plattegrond die de juf hen had meegegeven. Ze moesten binnen de wijk blijven. Het winkelcentrum lag erbuiten en ze hadden veel zin om daar wat rond te gaan hangen. Zo op de vrijdagmiddag was daar zat ongein uit te halen. Maar ze konden straks niet met lege handen op school aankomen. Als juf Ingrid er achter kwam dat ze niet hadden meegedaan zou ze vast een straf bedenken. Nee, ze moesten bewijsmateriaal verzamelen om aan te geven dat ze wel hadden meegedaan, maar hun groepje – die duffe Sebastiaan – waren kwijtgeraakt.
”Daar is er een,” zei Rino. Hij wees op zijn plattegrond. De jongens keken de Wilgenlaan in en daar bevond zich inderdaad een verkleed persoon.
”Jullie zijn vroeg,” zei de vrouw, die verkleed was als straatmuzikant. ”En zijn jullie maar met z’n tweeën?”
Rino snoof zijn neus en gaf geen antwoord. Dat mens moest niet denken dat hij deze vossenjacht serieus nam! ”Hier is mijn kaartje,” zei hij en duwde het in haar hand. ”Wilt u een handtekening zetten?”
De vrouw keek ernaar en krabbelde haar handtekening. ”Jullie moeten nu wel een dansje voor me doen,” zei ze.
Rino fronste. ”Wat?”
”Een dansje,” zei de vrouw met een zoete glimlach. ”Dat is de opdracht. Anders krijgen jullie je puzzelstukje niet.”
”Bekijk het even,” zei Rino. Hij trok het kaartje uit haar hand en maakte dat hij wegkwam. Fred volgde hem op de voet, nagestaard door een verbijsterde straatmuzikant.
”Zo komen we natuurlijk niet snel aan die puzzelstukjes,” zei Fred. ”Als we overal van die stomme opdrachten moeten doen.”
Rino haalde zijn schouders op. ”We jatten er straks wel wat van andere groepjes. Sebastiaan zal vast alles verzamelen. Die kan dan mooi een paar stukjes missen.”
”Hij zal ze ons nooit geven,” zei Fred.
”Dat geloof ik ook niet,” zei Rino. ”Maar ik vraag me af wat hij liever mist; een paar puzzelstukjes of zijn voortanden…”
Ze liepen steeds verder de Wilgenlaan door en kwamen al aan de rand van het aangegeven gebied. Iets verderop begon de Spechtstraat. Aan het eind ervan – om de hoek – was de supermarkt.
Hoewel Fred het niet tegen zijn vriend zou zeggen, voelde hij opeens dat er iets vreemds in de lucht hing. Een gevoel was het. Een raar en onheilspellend gevoel. Toen ze de Spechtstraat inliepen, nam het alleen maar toe. Het was net of er een onzichtbare hand om zijn nek was gelegd, klaar om zijn keel dicht te knijpen. Fred huiverde. Het leek wel of in deze straat meer schaduw was dan in de rest van de wijk. En dat terwijl de zon zojuist achter een wolk was verdwenen…
”Heb jij nog geld?” vroeg Rino.
”Een tientje.”
”Moet genoeg zijn. Ik betaal je straks wel terug.”
Fred luisterde niet naar wat zijn vriend zei. Hij was alleen maar bezig met dat rare gevoel en kreeg heel erg de drang om om te draaien en terug te lopen. Gewoon mee te doen met die vossenjacht en weg hier. De Spechtstraat. De straat lag er al jaren, al kon hij zich niet herinneren wanneer hij er voor het laatste geweest was. Maar wat er ook in de lucht hing, het voorspelde weinig goeds.
”Pst,” klonk het ineens.
Fred keek geschrokken opzij. Maar in de straat was niemand te zien. Alleen huizen met tuinen en hekken ervoor. Hier en daar een geparkeerde auto, maar voor zover Fred wist zeiden die geen ‘pst’.
”Wat is er?” vroeg Rino. ”Loop eens een beetje door, we hebben niet de hele dag de tijd.”
”Pst, hierheen,” klonk het toen.
”Hoor jij dat niet?” vroeg Fred aan Rino. Zijn vriend bleef staan en keek hem verbaasd aan.
”Jongens,” zei een stem. ”Kom maar hier… Ik heb een extra puzzelstukje voor jullie…”
Rino keek in het rond. ”Wie is daar?” vroeg hij.
Ze deden een paar stappen naar voren, maar er was nog steeds niemand te zien. Ook niet achter de geparkeerde auto’s. Ze liepen verder langs het huizenblok, tot ze bij een schuurtje kwamen. Daar weerklonk de stem ineens weer.
”Jongens… Rino en Fred… Een extra puzzelstukje? Dat kunnen jullie vast wel gebruiken!”
Fred en Rino keken elkaar stomverbaasd aan. Dat was het moment dat de gestalte zich losmaakte uit het struikgewas en breed grijnzend de straat op kwam lopen. Hij was verkleed in een wit schort en had een witte muts op. Op zijn schort zaten rode vegen.
”Wie bent u?” vroeg Rino, ietwat vertwijfeld.
”Ken je me niet meer?” vroeg de man.
Fred rilde toen hij het zich herinnerde. Meester Jan, dacht hij. Dit is meester Jan. Hij keek eens goed naar het gezicht van de man. Rimpels en donkere ogen, als zwarte kolen in hun oogkassen gepropt. Hij slikte, maar was er zeker van. Dit was meester Jan, de meester die ze vorig jaar in groep zeven hadden gehad.
Wat doet hij hier?, dacht Fred. Meester Jan was van school gegaan. Overspannen geraakt toen ze hem tot wanhoop hadden gedreven. Het was al op de eerste dag begonnen, toen Rino paperclips tussen zijn brood had gestopt.
De dagen erna was meester Jan uit het klimrek in de gymzaal gedonderd, omdat Rino het had losgekoppeld van de muur, en waren de banden van zijn auto lek gestoken. Een dag later die van zijn fiets, tot meester Jan voortaan maar lopend naar school was gekomen. Rino had er zijn doel van gemaakt om de meester het leven zo zuur mogelijk te maken, omdat die hem zijn telefoontje had afgenomen. Meester Jan had het zwaar te verduren gekregen en was uiteindelijk ten onder gegaan aan de treiterijen van zijn groep zeven, aangevoerd door Rino.
Fred wist het nog goed allemaal. Zeker het moment waarop de emmer van meester Jan was overgelopen. Nadat Rino – zogenaamd per ongeluk – een beker koffie in zijn tas had leeggegoten, had meester Jan kort zijn vuisten gebald. Vervolgens waren zijn ogen een paar tellen ijskoud en op Rino gericht geweest. Daarna was hij kalm opgestaan, de klas uitgelopen om nooit meer terug te komen.
En daarom vond Fred het ook zo vreemd dat meester Jan hier verkleed rondliep tijdens de vossenjacht. Betekende dat dat meester Jan weer terug was op school? Dat hij het opnieuw ging proberen? Op zich was dat geen gekke gedachte.
Rino scheen intussen ook te beseffen wie er voor hem stond. ”Dag meester,” zei hij, maar zijn stem klonk weinig enthousiast.
”Dag Rino.” Meester Jan grijnsde zijn tanden bloot. ”En Fred… Lang niet gezien, jongens…”
”Nee,” zei Rino. Hij krabde op zijn achterhoofd.
”Niet zo beteuterd kijken. Ik ben het maar!” Meester Jan grinnikte. ”Ik heb wat voor jullie, voor de vossenjacht. Loop maar even mee naar binnen.”
Er lag iets dwingends in zijn stem en hoewel Fred heel goed doorhad dat er iets niet klopte, liep hij achter meester Jan aan, misschien omdat Rino dat ook deed. Ze gingen het schuurtje in en daar overviel hem een vreemde kou.
”Wat heeft u voor ons, meester Jan?” vroeg Rino.
”Een bijzonder iets,” zei meester Jan. Hij sloot de deur en liep achter de jongens aan naar een grote werkbank in het schuurtje. Erop zag Fred een heel arsenaal aan messen en bijlen liggen en hij kreeg zo het idee dat dit niet goed ging aflopen.
”Als wat bent u eigenlijk verkleed, meester Jan?” vroeg Fred. Hij kon het niet helpen dat zijn stem oversloeg.
Kalm, maar uiterst beheerst, nam meester Jan een van de bijlen ter hand en veegde het lemmet schoon. Een vriendelijke glimlach krulde zijn gezicht. Hij keek de jongens beurtelings aan. ”Slager, kinderen,” zei hij toen. ”Ik ben verkleed als slager…”

*
”We hoeven er nog maar een paar.”
Sebastiaan draaide zijn plattegrond een paar keer om, terwijl Ineke en Kasper over zijn rug meekeken.
”Daar,” zei Sebastiaan. Hij wees de Spechtstraat in. ”Volgens mij staat daar iemand.”
”De Spechtstraat? Die telt niet meer mee,” zei Ineke. ”We moeten de andere kant op.”
”Nee hoor.” Sebeastiaan keek nog steeds de Spechtstraat in en nu zagen ook de anderen dat daar iemand stond. Sterker nog; dat daar iemand naar hen zwaaide.
Met z’n drieën holden ze naar de persoon toe.
”Bent u ook van de vossenjacht?” vroeg Sebastiaan. Hij haalde snel een pen tevoorschijn, zodat de man kon tekenen. Hij wilde geen enkele handtekening mislopen. Juf Ingrid moest niet denken dat hij niet alles had kunnen vinden!
”Reken maar, kinderen,” zei hij toen.
Bij het horen van zijn stem, keken de drie kinderen verrast omhoog. ”Meester Jan?” vroeg Ineke verbaasd. ”Bent u het echt?”
”Zeker,” zei meester Jan. ”Zoals je ziet!” Hij grinnikte en plukte wat aan zijn slagerspak. ”Mooi verkleed, vind je niet?”
Ontgoocheld staarden ze hem aan. Ze wisten nog maar al te goed wat er vorig jaar gebeurd was.
”Zijn jullie maar met z’n drieën?” vroeg meester Jan, terwijl hij het kaartje van Sebastiaan aannam.
”Rino en Fred zijn ervandoor,” zei Sebastiaan. ”Ze vonden het vast niet leuk.”
”Nee, dat zal best kunnen,” zei meester Jan en hij glimlachte mysterieus terwijl hij Sebastiaan het blad teruggaf. ”Wacht even… Ik heb nog wat voor jullie. Een extra puzzelstukje, zeg maar. Als alle groepjes langs geweest zijn, moet je op school maar kijken wat het is.” Hij haalde twee in plastic gewikkelde voorwerpen tevoorschijn en gaf ze aan Sebastiaan.
Die keek er verbaasd naar. ”Wat zijn dat, meester Jan?”
Ineke trok haar wenkbrauwen op. ”Zijn dat handen?” vroeg ze.
Meester Jans ogen fonkelden. ”Kijk er maar naar op school,” zei hij. ”Veel plezier verder, kinderen!”
Terwijl ze verder liepen, bekeek Sebastiaan de in plastic gewikkelde handen.
”Wel leuk dat meester Jan meedoet,” vond Kasper.
”Ja,” zei Sebastiaan. ”Hij was altijd erg creatief. Moet je die handen zien! Er zit zelfs bloed aan!” Hij stak ze in de lucht en bekeek ze bewonderend. ”Net echt, vind je niet?”

© 2008, Theo-Henk Streng.

Juf Yvonne's sandwich

Theo-Henk Streng Juf Yvonne
”Luister, lieve kinderen,” zei juf Yvonne smalend. ”We gaan vandaag iets heel bijzonders doen. Een speciale les voor de herfst.”
Alle ogen van groep drie waren op juf Yvonne gericht.
”De juf is gisteren in het bos geweest en heeft toen heel veel leuke spulletjes meegenomen die allemaal bij de herfst horen. Kijk maar…” En juf Yvonne toverde een grote plastic tas tevoorschijn die ze leegde op de kleine tafel in het midden.
Een zucht van verwondering om al dat moois ging door de klas heen.
”Nu is één ding heel erg belangrijk, lieve kinderen,” waarschuwde juf Yvonne. ”En dat is dat jullie nergens, helemaal nérgens aankomen. Behalve als ik zeg dat het mag! Spreken we dat af?”
Alle hoofden in de kring knikten. Ook dat van Felix.
”Goed. Hans, dan mag jij het eerste spulletje uit de stapel kiezen. Misschien heb je iets gezien en kun je erover vertellen?”
Aarzelend stapte Hans op en liep naar de tafel. Na even te hebben gekeken, pakte hij een beukennootje van de tafel en stak het in de lucht.
”Ah, mooi zo, Hans…” Juf Yvonne knikte. ”Kun je vertellen wat het is?”
”Een eikel, juf.”
”Eh… nee,” zei juf Yvonne. ”Dit is geen eikel, Hans. Dit is namelijk een beukennootje! Sara, weet jij misschien wel…” Ineens hield juf Yvonne op met praten.
Alle ogen volgden haar blik naar de kleine Felix, die zijn hand had uitgestoken om een dennenappel van tafel te pakken.
”Felix?” vroeg juf Yvonne. ”Weet jij nog wat de afspraak was?”
Felix keek haar verbaasd aan. ”Ik wilde…”
”Nee, Felix. Nee, nee, nee… Wij hadden een afspraak. Je mag nergens – helemaal nérgens – aankomen, totdat ik zeg dat je dat wel mag. Dus ga nu snel zitten en blijf overal vanaf. Sara…”
Sara stond op, liep naar de dennenappel van Felix, wierp hem een valse grijns toe en ging zitten. ”De dennenappel groeit aan de dennenboom, juf,” zei ze.
”Hartstikke goed!” kirde juf Yvonne. ”Wie is de volgende?”
Felix stak aarzelend zijn vinger op, maar juf Yvonne koos voor Daan, die aan de andere kant zat.
Daan zocht een takje op en wilde er juist over vertellen toen…
”Felix! Potverdorie! Wat heeft de juf net gezegd?”
Felix legde het grote, glanzende herfstblad direct terug op tafel. Ongemakkelijk schoof hij heen en weer op zijn stoel.
Daan vertelde over zijn takje en de juf klapte in haar handen. ”Heel goed, Daan. De volgende mag. Natasja!”
Natasja pakte een noot van tafel en keek er verbaasd naar.
”Weet je wat het is, Natasja?” vroeg juf Yvonne.
”Ook een beukennootje?” vroeg Natasja.
”Helemaal goed! Heel goed gez… Felix, potverdorie nog aan toe! Hoe vaak moet ik het nu nog zeggen?”
Juf Yvonne kwam overeind en richtte zich op. Boos keek ze naar Felix, die opnieuw het blad van de tafel had gepakt.
Felix keek haar benauwd aan. Hij wist ook wel dat hij weer niet geluisterd had, maar al die bladeren zagen er ook zó mooi uit!
Juf Yvonne keek even op de klok, toen weer naar Felix. ”Goed, lieve kinderen, het is pauze,” zei ze. ”Jullie mogen je eten en drinken pakken en naar buiten lopen. Behalve Felix, die blijft nog even hier…”
De kinderen kwamen overeind, lieten de herfsttafel voor wat hij was en verlieten stilletjes het lokaal. Ze wisten heel goed dat Felix een groot probleem had, want juf Yvonne werd bijna nooit boos.
Juf Yvonne wachtte even tot alle kinderen hun jas hadden en waren vertrokken. Toen sloot ze de deur van het lokaal liep ze naar de benauwde Felix toe.
”Zo,” zei ze streng. ”Waar ben jij nu mee bezig, Felix? Wat is dat nu toch allemaal…?”

Natasja stond zuchtend bij de schommel te wachten.
Ze had met Felix afgesproken. Hij zou haar vanochtend duwen, dan zou zij hem morgen gaan duwen.
Maar Felix bleef wel heel erg lang weg.
Natasja had haar eten en drinken al op.
Aan de andere kant van het plein speelden de kinderen verstoppertje. Zou ze gewoon met hen mee gaan doen?
Ze stak juist het plein over toen de deuren van school opengingen en meneer Cor, de conciërge, haastig naar buiten kwam lopen. Naast hem liep Felix, die zijn hand in een wit verband had zitten. Juf Yvonne volgde.
Geschrokken keek Natasja naar Felix, die in meneer Cors auto werd geduwd. Meneer Cor sprong achter het stuur en vol gas schoot de auto de straat uit.
Natasja liep naar juf Yvonne, die bij de ingang bleef staan en zwijgend de spelende kinderen in de gaten hield.
”Wat is er met Felix, juffrouw?” vroeg Natasja.
”Felix had een klein ongelukje,” zei juf Yvonne, terwijl ze haar tas opende en haar broodtrommel tevoorschijn haalde.
”Oh,” zei Natasja.
”Ja,” knikte juf Yvonne. ”Hij zat met de bureaulade te spelen, toen die ineens dichtklapte. Al zijn vingers zijn eraf!”
Natasja’s mond werd groot.
”Maar maak je geen zorgen, liefje. Hij is naar de dokter met meneer Cor. Ga nu maar weer fijn spelen.”
Natasja deed een stap naar achteren. Ze had namelijk iets gezien waarvan ze heel erg geschrokken was. Haar ogen bleven op juf Yvonne gericht, die haar sandwich naar haar mond bracht. Een sandwich met tomaten, kaas en stukjes sla.
Maar Natasja zag ook heel duidelijk vijf vingertoppen naar buiten steken.

© 2008, Theo-Henk Streng.

Oh denneboom

(Een decemberverhaal)
Rusty had geen zin om naar zijn moeder te luisteren.
”Blijf nu eens bij mama in de buurt,” zei mama tevergeefs. ”Straks verdwaal je nog tussen al die mensen.”
Maar het kon Rusty niks schelen dat mama boos was. Had ze hem die leuke sneeuwpoplolly maar moeten geven. Misschien dat hij dan beter gehumeurd was. Pech voor haar.
”Kunt u het een beetje vinden, mevrouwtje?” vroeg de kerstbomenverkoper, terwijl hij in zijn handen wreef.
”Het lukt wel,” zei mama. Haar stem klonk mat, vanwege de woede over hem. Dat wist Rusty ook wel.
Hij keek eens rond. Het hele terrein stond vol met kerstbomen. In flinke rijen waren ze gerangschikt van groot naar klein, van dik naar dun. Naaldbomen waren overal. Nog even en ze zouden in de huiskamers staan, versierd met elektronische kaarsen en allerlei andere blinkende spullen.
Hij keek zijn ogen uit en vond het fantastisch om zo omhoog te kijken en alleen die boomtoppen te zien. Het leek wel of hij in een bos was, omgeven door al die mooie bomen. Misschien zou het nog wel gaan sneeuwen, dan was het helemaal schitterend met al die dwarrelende sneeuwvlokjes.
”Daar zijn ze vanaf twintig euro, de rest is dertig en hoger,” legde de verkoper uit. ”Zal ik met u meelopen, mevrouwtje?”
”Rusty, kom nou eens hier, verdorie!” zei mama.
Rusty negeerde haar expres. De lolly die hij zo graag had gewild spookte nog steeds door zijn hoofd. Ze zou er spijt van krijgen dat ze hem die niet gegeven had. Expres sloeg hij een hoek om, zodat hij achter twee grote dennenbomen verdween.
De rust in deze rij viel hem onmiddellijk op, maar hij stond er niet bij stil. Daar waar verder over het terrein overal mensen liepen, was het hier helemaal verlaten. Terwijl er grote en mooie bomen stonden, dus daar kon het niet aan liggen.
”Rusty!” riep mama en ze kwam de hoek om. De verkoper volgde haar op de voet en sloeg het schouwspel met een geamuseerde glimlach gade. ”Blijf bij mij of je gaat in de auto zitten! Ik heb je gewaarschuwd.”
”Nee,” zei Rusty brutaal.
Zijn moeder wierp een verontschuldigende blik naar de verkoper, alsof ze wilde zeggen ‘Sorry dat ik mijn kind niet goed heb opgevoed’. Maar de verkoper bleef glimlachen en richtte zich toen – met een vreemde fonkeling in zijn ogen – naar Rusty. ”Ik zou maar eens goed naar je moeder luisteren, jochie. Grote kans dat ze het beste met je voorheeft.”
Even was Rusty overrompeld. Maar al snel vroeg hij zich af wie die grote man met die snor wel niet was, dat hij hem vertelde wat hij moest doen. Hij wierp de man een vernietigende glimlach toe en draaide zich demonstratief van hem weg.
Zijn moeder zuchtte.
”Laat hem maar, mevrouwtje. Dat soort kinderen leert hun lesje wel. Vroeg of laat.” Hij pakte haar bij de schouder en trok haar mee. ”Zullen we eens bij die boompjes daar gaan kijken? Er zit vast wat moois tussen.”
Dat had Rusty toch maar mooi geflikt. Ze zou het er zwaar mee krijgen dat ze hem die lolly niet had gegeven.
Met een voldane grijns liep Rusty verder het verlaten pad in. Hij keek weer omhoog, waar het begon te schemeren. Het weinige licht wierp grimmige schaduwen uit over het pad. Rusty waande zich in een groot bos, zo eentje die hij laatst op televisie had gezien.
Hij begon te draaien en zag de bomen om hem heen dansen, die hoge toppen. Hoog boven hem. Hier, in dit bos, was hij de baas. Hier zou hij alles voor mekaar krijgen wat hij wilde. Niemand kon hem tegenhouden.
”Ik heb je gewaarschuwd,” zei hij nog eens tegen zichzelf. Hij lachte zelfingenomen. Pas vijf jaar oud en nu al wist hij hoe hij mensen naar zijn hand kon zetten. Zelfs daar was hij zich van bewust. Juf Olga van de kleuterschool had hij ook al in zijn zak. Die deed alles wat hij wilde, als hij maar huilde en snikte of zei dat ze zo’n lieve juf was.
Rusty wandelde verder.
De stemmen van de andere kopers verdwenen langzaam op de achtergrond. Het leek wel of dit ene pad een stuk langer was dan al die andere. En na een paar meter lopen, vroeg hij zich af of de bomen ook allemaal echt groter en breder waren, of dat dat alleen maar zo leek.
Rusty keek over zijn schouder en besefte dat hij wel heel ver was doorgelopen. De uitgang van dit pad – van deze twee muren die helemaal uit groene kerstbomen bestonden – was heel ver weg. Slechts een klein streepje licht in de duisternis.
Hij kon er niks aan doen, maar hij begon een beetje bang te worden.
Maar dan was er toch nog die lolly. Die hij zo graag had willen hebben en die zij hem niet gegeven had. Echt niet dat hij terugging naar haar.
Ineens merkte Rusty een beweging op. Hij keek over zijn schouder. Fronsend tuurde hij naar de bomen achter zich. Die hadden er net nog niet gestaan, toch?
Hij keek weer voor zich, maar zag ineens een muur van naaldbomen voor zijn neus staan. Die waren er net ook nog niet geweest… Wat was hier aan de hand? Wat gebeurde hier?
En toen merkte hij het. De wortels van de bomen bewogen. Ze stonden niet langer in emmers of in doeken, maar waren vrij en ze bewogen zijn kant op. De bomen wandelden en ze sloten hem in.
Rusty wreef door zijn ogen. Het laatste beetje haat jegens zijn moeder viel weg en maakte plaats voor angst. Huiveringwekkende angst.
De bomen hadden hem ingesloten. Het enige licht kwam van boven hem. Verder leek er vooral een en al kerstboom te zijn. Maar Rusty zag meer. De dennenbomen waren niet zomaar dennenbomen. Nee, ze leefden…
Hoog boven hem keken grote, boze ogen vanuit de naaldtakken op hem neer. Een grote scheur spleet de stam in tweeën, als was het een enorme mond. Houten tanden – ongetwijfeld ontzettend scherp – lagen erachter.
Rusty stond te trillen op zijn benen. De lolly was hij op slag vergeten.
Ritselend en schuddend kwamen de dennenbomen nog dichterbij, tot hij helemaal vast zat en geen kant meer op kon. Hun tanden bewogen steeds verder naar hem toe.
Even later begon het te sneeuwen.

© 2007, Theo-Henk Streng.

De rattenjager

Warfel wreef in zijn handen. ”Nu heb ik je, vuil kreng…”
Hij zette voorzichtig een stap dichterbij en keek naar de gestalte voor hem op de grond. Met samengeknepen, angstige oogjes keek het beestje Warfel aan, die hoog en dreigend boven hem uittorende.
Warfel strekte zijn armen en telde in gedachten van drie naar nul om toe te slaan.
Nog even keek de rat om zich heen, maar er was geen uitweg meer. Hij was ingesloten.
Toen sloeg Warfel toe en mepte het dier op zijn kop. Piepend werd het dier verpulverd door de Gouden Gids. Bloed spatte in het rond, ook op het behang.
”Oóóh meneer Warfel!” jubelde de vrouw die achter hem stond. ”Wat goed van u! Ik wist wel dat een rattenjager zou helpen! De mensen zijn zo te spreken over u!”
Warfel lachte en wuifde het weg. ”Dan zult u me er vast wel goed voor betalen,” zei hij.
”Maar natuurlijk, meneer Warfel!” De vrouw trok haar portefeuille tevoorschijn en stak hem zonder te kijken wat biljetten toe.
Met het geld in de hand en een brede grijns op zijn gezicht verliet Warfel het huis en stapte in zijn bestelbusje. Rattenjager, dacht hij. Ik had het vak veel eerder moeten kiezen. Veel leuker dan conciërge of bejaardenverzorger. Nu snel naar huis, dan kan ik douchen en de rest van de avond doorzakken in de kroeg.
Genietend bij dat vooruitzicht reed hij de straat op. Hij wist dat er over hem gesproken werd in de buurt. Ze noemden hem ook wel de Rattenvanger, maar rattenjager vond hij een beter woord.
In de afgelopen maanden had hij aardig wat ratten opgeruimd en veel huishoudens blij gemaakt. Binnenkort zou hij waarschijnlijk eens bij de garage gaan informeren naar wat die sportwagen moest kosten. En een leuke vakantie kon onderhand ook wel weer.
Bij het volgende kruispunt was de weg ineens afgezet met grote, gele borden.
”Wat zullen we nu beleven?” vroeg Warfel zich hardop af, terwijl hij door zijn haar krabde. ”Omleiding? Waarvoor in vredesnaam?”
Toen hij die ochtend hierheen was komen rijden, was er nog niets aan de hand geweest.
Warfel trok zijn schouders op en besloot er maar niet moeilijk over te doen. Hij sloeg rechtsaf en volgde de weg naar de polder, een weg waarover hij lang niet meer gereden had.
Met een grote grijns op zijn gezicht dacht hij terug aan zijn rattenavonturen. Het had even geduurd, maar hij had zijn passie gevonden. In dit beroep kon hij zowel zijn frustratie als zijn genoegen kwijt. Het gevoel dat hij kreeg als hij zo’n vuilak verpletterde… daar kickte hij op.
Warfel reed verder en verder de polder in, zonder zich af te vragen waarom hij de enige op de weg was.
”Een wegomleiding,” mopperde hij. ”Zijn ze nu helemaal van de ratten besnuffeld?” Hij gierde het uit van zijn eigen grap.
Lachend reed hij verder de polder in, dieper en dieper. Nevel steeg op uit de smalle slootjes en begon steeds dichter te worden. Een dikke mist begon zich als een mantel om zijn bestelbusje heen te vormen.
Warfel fronste toen hij echt geen hand meer voor ogen zag en ontstak de mistlampen van zijn busje. Niet dat dit veel uitmaakte. Hij zag nog steeds niks.
”Voor den drommel,” mompelde Warfel, terwijl hij de auto tot stilstand bracht. ”Waar komt die mist ineens vandaan?”
Boos opende hij zijn portier en stapte uit. De grond voelde nat en glibberig aan. Om hem heen waren flarden van dikke mist. Hier en daar ving hij een glimp boom of struik op. Ook weerklonk er geritsel om hem heen.
Warfel trok zijn neus op en kneep zijn ogen tot spleetjes. Het zag er niet al te best uit, besefte hij. Hoe moest hij hier nu weer uit zien te komen? Voor zover hij wist was de polder behoorlijk groot en was het zeker nog vier kilometer naar de stad.
En waarom was hij hier de enige?
Een onbehaaglijk gevoel bekroop hem en Warfel werd zowaar een beetje bang. Hij kreeg het gevoel dat iemand naar hem stond te kijken vanuit die dichte mist. Toch liet hij zich niet kennen en liep terug naar zijn auto.
Hij wilde plaatsnemen achter het stuur, toen hij iets onder zijn kont voelde bewegen. Piepend schoot een schaduw onder zijn broek vandaan de auto uit. Het verdween in de mist en hij zag nog net een staart wegschieten.
”Wel alle donderstenen nog aan toe!” gromde hij.
Als dat geen rat was, wist hij het ook niet. Warfel wilde de deur van zijn busje dichttrekken, toen hij ze zag zitten. Buiten, om zijn auto heen. Ratten.
Heel veel ratten.
Overal om hem heen weerklonk gepiep. Vanuit zijn ooghoeken ontwaarde Warfel de krioelende massa die daar voor hem zat. Ratten in allerlei soorten en maten. Bruin, grijs en zwart, zo groot als een vuist of als een voetbal…
”Wat is dit nu weer?” vroeg hij zich hardop af. ”Waar komen al die rotbeesten ineens vandaan?”
Hij maakte een dreigende beweging naar de beesten, riep een keertje ”Ksst!” maar ze bleven onverschrokken zitten. Snel trok hij zijn portier dicht. Hij wilde de motor starten, toen hij een beweging op het dak hoorde. Trippel trappel trippel… Nu liep er ook al zo’n beest over zijn bestelbus heen. En alsof dat nog niet genoeg was, verscheen een dikke rat voor zijn ruit. Het dier loerde met snode oogjes naar binnen.
Warfel draaide de sleutel in het contact. Het leek hem het beste om te maken dat hij hier weg kwam. Hij had hier helemaal geen goed gevoel bij.
De bestelbus kwam direct op gang en stapvoets reed hij verder. Hij voelde de auto schokken en schudden en besefte dat de ratten niet opzij gingen voor hem. Kennelijk liet hij een spoor van rattenhuid en bloed achter.
Het gepiep was duidelijk hoorbaar. Nee, gepiep was niet het juiste woord. Het was eerder gekrijs dat overal om hem heen weerklonk.
Met zijn tanden op elkaar geklemd glibberde hij verder over de weg, tot een onverwachte beweging volgde. Door het raam ontwaarde hij nog net op tijd een dikke boom. Voor hij er tegenaan zou rijden, gaf hij een flinke ruk aan het stuur, met alle gevolgen van dien.
Warfel voelde de auto schokken terwijl die recht een slootje in donderde. Hij trapte nog op de rem, maar het had geen zin meer. Water spatte langs hem op en onderaan de deur liep het gelijk naar binnen.
Vloekend draaide Warfel het raampje open, in een poging aan het vieze water te kunnen ontsnappen.
Even gebeurde er niks en was het doodstil buiten. Ook de ratten lieten niets van zich horen. Waren ze weg?
Maar op het moment dat Warfel zijn hoofd naar buiten stak, werd hij overvallen door een enorme golf van stinkende, vochtige vacht.
De bruine, grijze en zwarte dieren begaven zich piepend en krijsend achter elkaar de auto in. Het waren er ontelbaar veel. Aan de golf leek geen einde te komen. Warfel werd er letterlijk door overspoeld en kon ze overal voelen.
Hij stak zijn handen uit en gilde het uit. ”Ga van me af! Néé!”
Schuddend zakte de bestelbus verder het slootje in. Onder het gewicht van de honderden, duizenden ratten verdween het steeds verder in de modder.
Warfel kon de ratten voelen, horen en zelfs proeven. Door zijn geschreeuw had een van de beesten zijn kop in zijn mond gestoken en bungelde nu ergens in zijn keel. Rochelend smeekte Warfel om genade, denkend aan alle ratten die dankzij hem het veld hadden moeten ruimen.
Maar de ratten gaven hem geen genade. Niemand deed dat. Het water kwam steeds hoger en was ijskoud.
De bestelbus zakte dieper en dieper weg, opgeslokt door de mist en het donkere water.
Van de rattenjager werd nooit meer iets vernomen.

© 2007, Theo-Henk Streng.

De gevederde stalker

”Er zit een flamingo achter me aan.”
De psychiater fronste zijn voorhoofd. ”Een flamingo?”
Klaas knikte. Hij keek angstig om zich heen. ”Hij volgt me overal, doctor,” fluisterde hij. ”Echt overal… Ik weet gewoon niet waar ik het zoeken moet.”
Doctor Valk pulkte ongeduldig wat vuil achter zijn scherpe nagels vandaan. ”Tja,” mompelde hij. ”En hoe ziet die flamingo er uit?”
”U weet toch wel hoe een flamingo eruit ziet?” vroeg Klaas.
”Jawel,” zei de psychiater. ”Maar misschien dat hij opvallende kenmerken heeft.”
”Nu u het zegt, hij heeft tanden.”
De frons op het voorhoofd van de psychiater werd groter. ”Tanden? Sinds wanneer hebben flamingo’s tanden?”
”Geen idee, doctor. Maar het zijn heel scherpe tanden. Ik weet zeker dat hij ze wilt gebruiken om me op te vreten. Hij is ook heel groot, die flamingo. Bijna net zo groot als ik.”
Doctor Valk keek ongeduldig op zijn horloge. De sessie was nog maar net begonnen. ”En wanneer is het begonnen, dat achtervolgen?”
Klaas haalde zijn schouders op. ”Vorige week. Of die daarvoor. Ik weet het niet zeker.”
”Aha,” zei de psychiater. ”Kun je je nog wel herinneren waar je de flamingo voor het eerst gezien hebt?”
Klaas dacht diep na. ”Dat was in de parkeergarage,” zei hij toen. ”De flamingo zat in een auto.”
De psychiater kon een zweem van een glimlach niet onderdrukken. ”Zat hij in een auto?”
Klaas knikte. ”Hij zat achter het stuur, doctor. Weet u wat ik denk?”
”Nou?” Doctor Valk zuchtte verveeld.
”Volgens mij zijn de flamingo’s erop uit om de wereld te veroveren. Volgens mij begeven ze zich onopvallend onder de mensen en ben ik de enige die het ziet. Maar ze zijn er! Daar durf ik vergif op in te nemen!”
”Ja, nu je het zo zegt.” Doctor Valk knikte. ”Dat zou best eens kunnen, Klaas.” Het was goed om met de patiënt mee te praten, dacht doctor Valk. Hij keek nog eens op zijn horloge. ”Weet je wat ik doe, Klaas? Ik ga direct contact opnemen met Interpol. Ik vind dat ze dit serieus moeten nemen. Je hebt een goede daad verricht.” Hij gaf Klaas een klopje op zijn schouder.
”Echt waar?”
De psychiater knikte hem bemoedigend toe. ”Je hoeft geen afspraak meer te maken, Klaas. Ik zal het regelen, afgesproken?”
”Goh, dank u, doctor.” Klaas stak zijn hand uit en schudde die van de psychiater.
Doctor Valk wachtte geduldig tot Klaas zijn kantoor had verlaten. Daarna verdween alle vriendelijkheid uit zijn gezicht en greep hij naar de telefoon.
Terwijl een veertje uit zijn mouw op het bureau dwarrelde, tikte hij een nummer in. Met een grove beweging trok hij zijn doctorsgezicht weg waardoor zijn snavel eindelijk weer vrijkwam.
”Ja, met doctor Valk,” zei hij terwijl hij zijn jas opentrok en al zijn roze veren uitschudde. ”Je had gelijk. Als het goed is loopt hij nu het pand uit. Elimineer hem, niets mag ons plan in de weg staan…”

© 2007, Theo-Henk Streng.

De onderzoeker

Zuchtend sloot Jakob het dossier.
Voor hem lag zijn bureau bezaaid met aantekeningen, foto’s en andere paperassen. Ze hoorden allemaal bij zijn onderzoek.
”Waarom ziet niemand het?” gromde hij. Hij stak zijn hand in zijn broekzak en haalde er een potje met pillen uit.
Agnes kwam de kamer binnen. Half twee in de nacht en ze zag eruit alsof het middag was.
”Lieverd?” vroeg ze terwijl ze een dienblad neerzette. ”Lust je wat thee?”
Jakob knikte afwezig.
Met trillende handen wachtte hij tot Agnes hem een kopje thee overhandigde. Het warme spul deed hem goed.
”Is er al vooruitgang in je onderzoek?” vroeg ze, kijkend naar de rotzooi op zijn bureau.
Jakob schudde zijn hoofd. ”Nergens kan ik een touw aan vastknopen,” gromde hij. ”Die flamingo’s duiken steeds weer op. Ik weet gewoon dat ze er zijn! Maar niemand die het ziet!”
Agnes trok een rimpel in haar voorhoofd.
”Als je de foto’s vanuit de juiste hoek bekijkt, kun je het ook zien!”
Om hem een beetje te steunen leunde Agnes over de foto’s en keek ernaar. ”Ik zie het niet, schat,” bekende ze. ”Voor mij zijn het gewoon mensen, die hun dagelijkse ding doen. Hier, een jonge vrouw in de supermarkt, een man die staat te bellen… Kinderen in de speeltuin. Maar geen flamingo’s.”
Jakob nam nog een slok thee. ”Het zijn flamingo’s,” zei hij vastberaden. Er verscheen een waanzinnige gloed in zijn ogen. ”Het zijn echt flamingo’s! Ik moet het gewoon bewijzen! Ze vormen een gevaar voor de samenleving. Ze willen de wereld veroveren! Iemand moet ze een halt toeroepen!”
”Natuurlijk lieverd,” zei Agnes troostend. ”En wie weet gaat het je lukken. Maar je moet ook rust nemen. Is het niet een verstandig idee om wat te gaan slapen?”
Jakob pakte haar handen en kneep erin. ”Je hebt vast gelijk,” zei hij. ”Maar ik bekijk nog één keer de nieuwe bestanden. Er moet wat tussen zitten. Oké?”
”Oké.”
”Ik ben zo blij dat ik je heb leren kennen, Agnes,” zei hij toen. ”Zo ontzettend blij. Ik heb het gevoel dat jij me hier een beetje doorheen sleept.”
Agnes glimlachte. ”Maak het niet te laat, Jakob.”
Jakob stortte zich weer op zijn werk. ”Waar is die vervloekte schijf nu weer gebleven?!” gromde hij. Hij begon verwoed door zijn papieren te graaien, maar de schijf was ineens onvindbaar.
Agnes sloeg hem nog even gade en trippelde toen de kamer uit.
Voor de spiegel in de gang bleef ze staan. Ze keek naar haar gezicht en zag dat de roze kleur van haar veren door het masker heen te zien was. Ze had beter moeten poederen.
Gelukkig was Jakob te overspannen om het te zien.
Ze viste de schijf waarnaar hij op zoek was uit de zak van haar kamerjas en keek ernaar. De bewijzen, dacht ze. Ze grijnsde kwaadaardig, opende haar slangenlederen handtasje en liet het schijfje erin glijden.

© 2007, Theo-Henk Streng.

Geregel in Javendeel

Bon pakte de foto van zijn vader en keek ernaar.
Het vriendelijke gezicht dat van de vergeelde foto terugstaarde deed hem pijn. Hij moest denken aan zoveel fijne momenten die hij en zijn vader samen hadden meegemaakt. Kleine dingetjes als de grapjes die hij maakte en zijn verzameling bierviltjes. Maar ook het kajakken in de Ardennen en kamperen op Terschelling. Eigenlijk zou hij ze ergens op moeten schrijven, om ze nooit meer te vergeten.
Een week geleden was het gebeurd. Gewoon op straat.
Zomaar neergestoken. Een mes in zijn buik, zodat het leven langzaam uit hem was weggevloeid. Waardoor hij nog een aantal minuten had moeten lijden.
Bon voelde tranen over zijn wangen lopen. Zijn vader was vermoord. Hij was dood.
En Bon had nog steeds zijn problemen.
Hij keek op de klok. Het was half acht. Tijd om te gaan.
Beneden trok hij zijn leren jasje aan en stapte op zijn sportfiets. In de stad was het donker en verlaten. Het was herfst en net had het nog geregend. Veel mensen waagden zich bovendien niet meer op straat om heel andere redenen.
In het donkere winkelcentrum stonden twee jongens op hem te wachten. Lantaarnpalen waren hier lang geleden al vernield.
Bon kon de jongens vanaf een afstandje zien. Een van hen zat op een scooter, de ander stond ernaast. Handen in de zak, een sigaret in de mond.
”Ah, kijk eens wie we daar hebben!” riep de jongen op de scooter. De noemden hem Dino, maar hij kon net zo goed anders heten.
”We stonden al te wachten,” zei de jongen die Geert heette. Hij gooide zijn peuk op de grond en trapte hem uit.
Bon slikte en zette zijn fiets opzij. Het laatste stukje liep hij naar de jongens. Hij stak zijn handen in zijn zak, net als zij.
”Heb je ons geld?” vroeg Dino.
Bon knikte.
Dino gleed van zijn scooter en kwam naar hem toe. ”Laat maar zien, dan,” zei hij.
Bon stak zijn hand in zijn broekzak en haalde er vier biljetten van vijftig euro uit. Hij voelde zich zo schuldig. Die morgen had hij het geld uit de portemonnee van zijn moeder gepikt. Ze wist van niks, helemaal niets van zijn problemen. Ze had er nu zelf wel genoeg. Vroeg of laat zou hij haar het geld teruggeven.
”Tweehonderd?” vroeg Dino, quasi verbaasd.
”Meer heb ik niet,” zei Bon. Het was een gewoonte geworden en hij wist al wat komen ging.
”Is niet genoeg, hè? Tweehonderd was het vorige week, nu is het vierhonderd!” Dino stak zijn hand uit en grijnsde leep.
Bon zuchtte. Natuurlijk had hij dat niet.
Een half jaar geleden was het begonnen. Eerst met een zakje wiet, dat werden er vanzelf meer, tot Dino aanbood hem het grovere werk te leveren. Pakjes cocaïne en wat pillen. Een tijdje had hij flink wat gebruikt, maar inmiddels was Bon er vanaf. Ondanks de dood van zijn vader gebruikte hij al een paar weken niks meer. Het had moeite gekost, maar het was hem gelukt. Zonder professionele hulp! Helemaal er vanaf.
Dat viel niet te zeggen van zijn schuld bij deze twee. De ‘schuld’ van tweehonderd euro, die nu ineens vierhonderd was, precies zoals hij eerder was opgelopen van twintig naar veertig, van zestig naar honderd en van honderd naar tweehonderd.
”Vierhonderd euro, Bonny,” zei Dino.
”Dat kun je niet menen,” zei Bon. ”Ik heb je al bijna duizend euro betaald door die zogenaamde schuld van je. Het moet ergens ophouden!”
”Of anders?” vroeg Geert gevaarlijk. Hij boog zich met een lepe blik naar Bon. ”Ga je dan naar de politie? Of…” Hij keek even naar Dino voordat hij zijn zin afmaakte. ”Of ga je naar je pappie?” Geert sloeg zogenaamd geschokt zijn hand voor zijn mond. ”Oh nee, dat gaat niet meer!” riep hij uit. ”Pappie is dood!”
Dino grijnsde breed. ”Heb je het gesnopen?” vroeg hij. ”Vierhonderd euro binnen twee dagen. Anders steek ik ook je moeder dood, begrepen?”
Bon voelde alle kleur uit zijn gezicht wegtrekken. ”Hebben jullie…?” stotterde hij.
De gezichten van Dino en Geert waren ijskoud. Ze hadden hem zolang onder druk gezet. Dino had vaker gevraagd of hij van zijn ouders hield en als Bon dan ‘ja’ zei, bedreigde Dino hem door te zeggen dat hij dan vooral moest doen wat hem gevraagd werd. Maar die bedreigingen had hij nooit zo serieus genomen. Dino en Geert waren dealers, woekeraars en hooguit twee jaar ouder dan hij. Maar moordenaars…? Hadden ze het echt gedaan of was het enkel grootspraak?
”Zorg voor het geld, Bon,” zei Geert. ”En je moeder zal niks overkomen.”
”Kom,” zei Dino en hij trommelde ongeduldig op zijn scooter. ”Stap op, Geert. Er moet nog wat geregeld worden in Javendeel.”
Ontsteld keek Bon hoe de dealers op Dino’s scooter stapten en er met een noodgang vandoor scheurden, richting de nieuwbouwwijk. Boven hem scheurde de hemel open en begon het te miezeren.

Diezelfde miezerige regen viel een kleine kilometer verderop neer op de vele stenen en grafzerken, die uit de aarde omhoog staken en zich dreigend aftekenden tegen de halfvolle maan.
Hoog in een dikke boom zat een kraai, die krijsend wegvloog op zoek nar een beter onderkomen. Dat vond hij in een andere boom, met meer bladeren.
Aan het uiterste eind van de begraafplaats kwam een zware, rechthoekige steen in beweging. Er lagen nog verse bloemen op en er brandde een kaarsje in een potje dat de regen en wind tegenging.
Met een stroef geluid schoof de steen een eindje op. De kaars viel om, maar bleef branden.
In dunne flarden nevel werd een lijkbleke hand zichtbaar, gevolgd door een arm. Een tweede hand en arm verschenen en schoven de steen nog verder opzij, zodat er wat meer ruimte ontstond.
Een man in een zwart pak en een zwarte das richtte zich op. Hij rekte zich wat onhandig uit en opende zijn mond wagenwijd. Een losse kies viel uit zijn mond op de steen. Hij liet hem liggen, want hij had er toch niks meer aan. Zijn gezicht begon al wat gelig te worden en in zijn huid waren aardig wat scheurtjes ontstaan.
De man stapte onhandig uit het graf, stootte zich tegen een andere zerk en ging struikelend op weg naar de uitgang van de kerkhof.
De kraai staarde hem zwijgend na.
De man duwde het hek open, terwijl hij dacht aan zijn zoon. Een paar dagen lag hij hier nu al onder de grond, maar van rusten kwam niet veel met zo’n jongen.
Eerst moest er nog wat geregeld worden in Javendeel.

© 2007, Theo-Henk Streng.

Beren op de weg

Ron keek nogal verbaasd toen hij een beer op de weg zag staan.
”Krijg nou de…” Hij bracht zijn Porsche tot stilstand en keek ontsteld naar het lompe dier dat nog geen twee meter voor hem stond. Hoewel Ron wist dat beren levensgevaarlijk waren, maakte dit exemplaar maar een slome indruk.
Ron kon zijn ogen nog steeds niet geloven. Beren kwamen hier toch helemaal niet voor?
Hij twijfelde. Moest hij toeteren om het beest weg te krijgen? Het antwoord kwam vanzelf. Want voor zijn neus zakte de beer in elkaar.
Ontsteld keek Ron voor zich uit. ”Nou wordt ie helemaal mooi!” mopperde hij. Zoals de beer daar lag, versperde hij hem mooi de weg. Met geen mogelijkheid kon hij er langs. Het dier was te groot en eroverheen leek hem ook geen optie.
Ron keek om zich heen. Hij bevond zich in de polder, ver van de bewoonde wereld. Precies de plek voor dit soort taferelen, dacht hij. Normaal kwam hij nooit op dit soort plekken.
Grommend trok hij de handrem aan en opende zijn portier.
Buiten was het donker. Boven zijn hoofd scheen een halfvolle maan en twinkelden een aantal sterren. Het licht kwam verder van de lantaarnpalen die om de zoveel meter geplaatst waren en de koplampen van zijn auto.
Ron liep naar de gestalte op de weg af en stelde vast dat het inderdaad een beer was. Geen twijfel mogelijk.
Hij had weinig opties. Als hij rechts langs het dier zou proberen te rijden, raakte hij vast en zeker in de sloot terecht. Aan de andere kant was een grote boom. Hij schepte graag op over zijn Porsche, maar dwars door een boom heenrijden zag hij hem nog niet doen.
Met zijn voet porde hij de beer in zijn zij. Het beest bewoog zich niet. Ron schudde zijn hoofd en haalde zijn mobieltje tevoorschijn. Wie moest hij hiervoor bellen? Het alarmnummer leek hem een beetje overdreven. Dan had hij straks weer een boete aan zijn broek omdat het niet ernstig genoeg was, zo waren ze dan ook wel weer. Gewoon de politie dan maar? Of de brandweer?
Hij schudde zijn hoofd en stopte de telefoon toch maar weg. Dat zou allemaal veel te lang duren naar zijn zin. Bovendien vroeg hij zich af of de persoon aan de andere kant van de lijn niet in lachen zou uitbarsten. Een beer op de weg! ”Meneer, u ziet spoken,” hoorde hij de dienstdoende telefonist al zeggen.
Nee, Ron moest dit klusje zelf zien te klaren.
Hij knielde opnieuw bij de beer een stak voorzichtig zijn hand uit naar de vacht van het dier. Die voelde vochtig en warm aan. Hij trok zijn neus op en duwde het dier nog eens in zijn zij. Geen enkele beweging. Leefde de beer nog wel?
”Kom op vriend,” zei Ron. ”Help me eens een handje, ik moet er langs.”
Maar de beer gaf geen krimp.
Bedenkend dat dit geen enkele zin had, kwam Ron overeind. Weifelend keek hij op de beer neer. Als hij nu eens gewoon achteruit terugreed en de andere afslag nam, een halve kilometer terug? Dan kwam hij hier in ieder geval weg. Een beetje omslachtig was het wel, maar alles beter dan het met die beer aan de stok krijgen.
Hij wierp een laatste blik op de beer en wilde teruglopen naar zijn auto.
Maar met dat hij weg wilde lopen weerklonk een woeste grom. Geschrokken draaide Ron zich om. De beer was overeind gekomen en van zijn lompheid was niets meer over.
Agressie vlamde in zijn ogen.
Hij torende hoog boven Ron uit en Ron kon niet anders dan angstig terugkijken. Zijn blaas begaf het en zijn broek werd nat. Hij kreeg geen woord over zijn lippen. Laat staan een angstkreet.
De beer boog zich kwaadaardig over Ron heen, stak zijn voorpoten uit en greep hem stevig vast.
Rons geschreeuw was niets meer dan een zwak geprevel, dat geheel verloren ging in het gegrom van de beer, die hem heftig door elkaar begon te schudden. Ron voelde zich verslappen. Op geen enkele manier kon hij zich hiertegen verzetten.
Vanuit een ooghoek zag hij nog hoe een tweede beer uit het struikgewas tevoorschijn kwam. Het beest sloeg hem even gade en struinde toen de weg over, richting zijn Porsche.
Ongelovig staarde Ron naar het dier, dat zich met veel geweld in de auto werkte. De Porsche schudde aan alle kanten toen de beer met veel moeite achter het stuur kroop. Het paste nog maar net.
Angstig keek Ron naar de beer die met hem bezig was. Het dier was gestopt met het schudden, maar haalde uit met zijn poot en gaf hem een mep in zijn gezicht. Het begon hem gelijk te duizelen en hij voelde hoe hij door de lucht suisde.
Toen hij zijn ogen weer opende lag hij in de berm en zag hij nog net hoe de twee beren zijn Porsche vulden. In de auto zat een en al beer.
Op dat moment sloeg de motor aan en kwam de auto in beweging. De dieren wisselden een opgetogen blik.
Met gierende banden scheurden ze langs hem heen en verdwenen in de duisternis.

© 2007, Theo-Henk Streng.

Afslag 14 en de duiven

Oma was in haar sas.
Vanochtend was haar brommobiel gearriveerd.
Oma had onder het genot van een kopje koffie geduldig het verhaal van de meneer van Bureau Welzorg aangehoord en was hem – tegen haar gewoonte in – geen moment in de reden gevallen.
”U weet dat de maximumsnelheid 45 kilometer per uur bedraagt?”
”Natuurlijk, beste man. Ik heb mij goed voorbereid.”
”U weet ook dat een brommobiel niet wordt toegelaten op autowegen en autosnelwegen?”
”Uiteraard.”
De man had nog het een en ander opgedreund over de plaatsen waar ze dan wel mocht rijden, welke borden voor haar golden, hoe het zat met parkeren en dat soort zaken. Oma had maar half geluisterd. Ondertussen verheugde ze zich al op het moment suprème, het moment waarop ze al die tijd had gewacht.
Nu was het dan eindelijk zover. Half drie in de middag. Geen kip op de weg.
Oma liep naar de gang, zocht haar mooiste paarse hoed uit, die met de zwarte veren en bekeek zichzelf in de spiegel. De hoed leek haar wel gepast voor dit moment. Vervolgens schuifelde ze door het huis naar de straat. Met een tevreden knikje keek ze naar het prachtige voertuig op de stoep. De microcar was glanzend geel, misschien zelfs een beetje goud. Oma wist nu al dat ze zich erin thuis zou voelen.
Voorzichtig nam ze plaats achter het stuur en zette het spiegeltje goed. Een moment speelde een duivelsachtige grijns over haar gezicht. Toen deed ze de koplampen aan en startte de motor. Alles leek in één keer goed te gaan.
Oma stoof achteruit de parkeerplaats af, maakte een draai en scheurde de straat uit.
Het feest kon beginnen.
De toegestane 45 kilometer voluit benuttend, maakte oma een tour door het dorp. Kolderdijk was rond dit tijdstip helemaal verlaten, dus ze kon ongestoord haar gang gaan.
Oma stevende al snel op de borden af die de snelweg aangaven. Hoewel ze wist dat ze er niet mocht komen, begaf ze zich zonder aarzelen op de grote weg. Ze was voornemens om de eerste afslag te nemen, zodat ze direct terug kon rijden naar Kolderdijk. Want daar diende het te gebeuren…
Terwijl de auto over de snelweg tufte, dacht oma terug aan de soos van afgelopen week. Ze had met Sien en Annie zitten praten en zoals dat al jaren ging hadden de drie dames hun ongenoegen met elkaar gedeeld, terwijl zij dronken van een kopje bessenthee en snoepten van een biscuitje met extra veel suiker – omdat ze wisten dat de tandarts daar niet blij mee was.
”Die postbodes van tegenwoordig stellen ook geen fluit meer voor,” had Annie geknarst. Haar veel te grote kunstgebit zat haar al een halve eeuw in de weg, maar ze weigerde een nieuwe aan te schaffen. Vooral omdat ze wist dat ze haar kleinkinderen met dat geknars angst aan joeg.
”Wat je zegt!” was Sien ingevallen. ”Die van mij houdt volgens mij tussen iedere twee adressen een rustpauze van drie kwartier. Mijn hemel, en als je er dan wat van zegt…”
”De huisartsenpost is ook al zoiets. Omdat ik zoveel medicijnen nodig heb, moet ik om de zoveel tijd op controle komen. Ik heb nu eenmaal wat mankementen, maar daar hoef ik toch niet steeds aan herinnerd te worden?”
Uiteindelijk was het onderwerp van het gesprek via een aantal zijwegen op de duiven gekomen.
”Ze schijten de hele boel onder!” kirde Sien. ”Wat jij, Annie?”
”Wat je zegt, Sien! Die krengen kennen geen genade.”
Ook oma had haar aandeel in het gesprek. ”Die vervloekte misbaksels zitten overal! Ze lijken wel een complot te vormen. Van de week nog zaten al mijn lakens onder de vogelkak. En die krengen maar lachen vanuit de bomen!”
Sien had haar hoofd geschud en boos met haar wandelstok op de grond gestampt. ”Het wordt tijd dat iemand actie onderneemt!” grauwde ze.
”Actie!” had oma gekermd. ”Van de gemeente hoeven we vast weer niets te verwachten, die doen niets anders dan hun zakken vullen!”
”Precies,” vond Annie. ”Maar wij zijn niet voor één gat te vangen, toch dames…?”
En in de minuten daarop was het duistere duivenplan ontstaan. Beetje bij beetje hadden oma en haar bondgenoten een gruwelijke theorie uitgedokterd… Een moordplan was ontstaan. En zij zou de uitvoering in handen hebben.
Terwijl ze over de snelweg zoefde, likte oma opgewonden over haar lippen. Afslag 14 naar Kolderdijk naderde. Annie en Sien hadden gelijk gehad. Een enorme hoeveelheid duiven bevond zich hier. De vele bomen rond afslag 14 waren de perfectie broedplaats voor het ongedierte. En de ongekende hoeveelheid afval maakte het dat de dieren zich op de weg begaven. Het asfalt van afslag 14 was voor de duiven een waar speelparadijs.
Oma wist dat afslag 14 amper gebruikt werd. De enige mensen die afslag 14 namen waren de mensen die in Kolderdijk moesten zijn. Waarschijnlijk wist de overgrote meerderheid van Nederland niet eens waar Kolderdijk lag!
De duiven hadden vrij spel. De misbaksels.
”Daar zijn jullie dan,” siste oma gevaarlijk, terwijl ze het gaspedaal wat losliet en voorzichtig over de snelweg naar afslag 14 gleed. ”Duivelsgebroed, misbaksels… Ik zal jullie eens laten zien wat ik met jullie doe! Het wasgoed onderkakken, hè? En denken dat je ermee wegkomt…”
Oma drukte het gaspedaal in en vol gas stoof ze afslag 14 af. Ze gooide het stuur van links naar rechts en begaf zich in de grijze massa op de weg. De duiven waren het verkeer amper gewend en niet alle beesten konden voor de brommobiel uitwijken.
Hortend en stotend werden de beesten onder de banden verbrijzeld tot een grijsrode drab die op het asfalt achterbleef. Veren waaiden in het rond, een hels gekrijs weerklonk. Zigzaggend verpletterde oma zoveel mogelijk duiven.
Met een krankzinnige grijns bracht ze de auto aan het einde van de afslag tot stilstand en maakte een mooie draai. Ze zag zo een stuk of wat duiven op de weg liggen, omgeven door bloed en vacht. De dieren waren morsdood.
Oma grinnikte hees. Vol genoegen zag ze dat de andere duiven zich om hun dode soortgenoten begaven. Het gekrijs nam aan en de dieren leken hun eigen treurmars te kwetteren.
”Daar komt oma weer,” siste oma en voegde de daad bij het woord. Met haar zwarte naaldhak drukte ze het pedaal zover mogelijk in en stoof op de grijze vogels af. Opnieuw voelde ze de auto over de duiven heen schieten. Ze genoot van iedere trilling.
Oma zette de auto weer terug voor een volgende aanval, maar bleef nu halverwege de weg staan. Ze draaide het raampje open om naar buiten te kijken en het slachtveld met eigen ogen te kunnen aanschouwen. De duiven wisten niet meer wat te doen. Sommigen deden nog een poging zich op het asfalt te begeven, maar oma ging over op een andere tactiek. Ze reed korte stukjes heen en weer over de lijkjes en ontnam op die manier nog een aantal duiven het leven.
De haaiachtige grijns op haar gezicht werd alsmaar groter. Tot een donkere schaduw over de brommobiel heen viel. Oma keek geschokt door het raampje naar buiten en kon niet geloven wat ze boven haar hoofd zag.
Een grote hoeveelheid duiven krioelde een paar meter boven de brommobiel. Zoveel van die beesten dat de lucht erboven niet meer te zien was.
Even likte oma nog met haar tong over haar lippen, bedenkend dat dit een megavangst zou zijn. Maar toen besefte ze dat ze die beesten in de lucht niets aan kon doen. Ze kon immers niet vliegen.
Oma slikte. Dat was het moment waarop de grote wolk duiven toesloeg. Klapwiekend en met agressieve blikken in hun zwarte ogen begaven honderden – mogelijk zelfs duizenden – grijze vogels zich door het openstaande rampje in de brommobiel.
De wagen schudde van alle kanten terwijl oma tevergeefs probeerde los te komen.
Haar geschreeuw ging totaal verloren in het helse gekrijs van de duiven.

Tegen de avond vond een wandelaar een goudgele brommobiel, net naast afslag 14. Het kleine wagentje was gekanteld en zat onder een merkwaardige hoeveelheid duivenpoep.
De wandelaar fronste verbaasd.
Toen hij verder liep en in het bos een paarse hoed vond, kreeg hij een bang voorgevoel. Dat gevoel werd bevestigd toen hij de zwarte naaldhak zag die een paar meter verderop lag en helemaal toen hij een stuk been uit de struiken zag steken. Een stuk been waar niemand meer aan vast zat…
Vanuit de hoogte keken honderden duiven zwijgend toe hoe de wandelaar zijn mobiel pakte om de politie te bellen.

© 2007, Theo-Henk Streng.

25 jaar huwelijk

Troostend legde de manager van het vakantiepark zijn hand op Daniëls schouder. Hij wisselde een blik met zijn assistente en de opgeroepen politieagent.
”Het kan toch niet zomaar?” jammerde Daniël, met zijn handen voor zijn ogen. ”Dat kan toch niet? Iemand kan toch niet zomaar weg zijn?”
”Doe maar rustig,” suste de manager. ”Doe maar rustig. In paniek lossen we niets op.”
”Wat is haar naam?” wilde de jonge politieagent weten. Hij wenste dat hij een collega had meegenomen. Hoe moest hij omgaan met deze vreemde situatie?
”Veronique,” zei de manager. ”Toch Daniël?”
Daniël knikte. ”Veronique,” huilde hij. ”Ze heet Veronique.”
In het huisje heerste een onrustige sfeer. Daniël en Veronique waren vanmiddag aangekomen in het Belgische vakantiepark, om hun vijfentwintigjarig huwelijk te vieren. Maar nu was de helft van het huwelijk zoek.
Het oorverdovende gesnik van Daniël ging door merg en been.
”Hoe laat is ze vertrokken?” vroeg de agent.
”Om half zes,” antwoordde Daniël. ”Of niet? Weet jij het?” vroeg hij aan de manager.
De manager kuchte ongemakkelijk. ”Half zes,” knikte hij naar de agent.
”Waar was ze van plan naar toe te gaan?”
Daniël nam er de tijd voor om zijn neus in een zakdoek te snuiten. Snotterend zei hij: ”Ze moest sigaretten hebben. We hebben geen sigaretten meegenomen uit Nederland en ze waren op.”
De assistente fronste. Ze had vaker verhalen gehoord over mensen die een pakje sigaretten waren gaan halen.
”Ging ze naar een supermarkt?” wilde de agent weten.
”Ja,” knikte Daniël. ”Hier, op het park.”
Ook de manager begon te knikken, op een manier alsof hem iets duidelijk was geworden. ”Dan spreekt het misschien voor zich,” zei hij en zijn gezicht klaarde op. ”De supermarkt gaat namelijk om vijf uur dicht.”
”Echt waar?” vroeg Daniël hoopvol.
”Ja,” antwoordde de assistente. ”Dus dan is ze misschien naar de stad gegaan om daar sigaretten te halen.”
”Hoe kan ze dat doen?” vroeg Daniël en hij barstte opnieuw uit in een hartverscheurend gehuil. ”De auto staat hier! Ik heb de sleutels.” Zijn schouders schokten heftig.
De manager ging rechtop zitten. ”Kan het zijn dat ze lopende is gegaan? Het is lekker weer vanavond. Wie weet wilde ze de omgeving verkennen?”
Daniël snikte. ”Dan had ze me dat wel verteld,” zei hij. Hij richtte zich tot de agent. ”U weet het al, hè?” vroeg hij met betraande ogen. ”Ze is dood, hè? Zeg het me maar gewoon, hoor…”
De agent trok zijn wenkbrauwen op. Hij keek naar de manager en de assistente en richtte zich toen tot Daniël. ”Nou,” begon hij ongemakkelijk, ”het is wel eh… erg voorbarig om zoiets te denken, nietwaar?”
”Komaan Daniël,” zei de manager. ”Komaan! Ze is nog geen drie uur weg. Het is heel goed mogelijk dat ze aan de wandel is gegaan en de weg is kwijt geraakt!”
De troostende woorden gingen allemaal langs Daniël heen. Hij dacht terug aan vanmiddag. Tegen vijf uur, toen hij de auto voor het huisje had geparkeerd. Veronique was uitgestapt om het huisje te openen en Daniël was vast begonnen met het uitladen van de spullen.
Het ging al gelijk mis. De roze beautycase van Veronique stond geklemd tussen twee grote koffers. Toen hij een van de koffers wegtilde, tuimelde de beautycase voorover de auto uit. Het slot brak af en de koffer vloog open.
”Kijk nou wat je doet, rund!” had Veronique geroepen.
Daniël kon alleen maar schuldbewust naar het arsenaal aan schoonheidsmiddelen staan kijken die daar in het gras lagen. In het kapotte spiegeltje zag hij zijn eigen gezicht. Gebroken.
”Het spijt me, lieverd. Ik zal het straks voor je opruimen.”
”Spijt, spijt, spijt!” Veronique had zijn hand van zich afgemept. ”Je hebt altijd spijt.” Daarna was ze kwaad het huis ingelopen en zo was hun weekendje begonnen.
”Wat denkt u dat we kunnen doen?” vroeg de manager aan de agent.
De agent noteerde wat op zijn blocnote en haalde zijn schouders op. ”Wachten,” zei hij.
De assistente liep naar de keuken en schonk een glaasje Spa in voor Daniël. ”Kunt u echt niets voor hem doen?” vroeg ze terwijl ze het glaasje voor Daniël neerzette.
”Het spijt me. We mogen pas iets doen als iemand vierentwintig uur vermist wordt.”
De manager knikte. ”Ik begrijp het,” zei hij. ”Maar dit is wel een heel ander geval, vindt u niet? Ik bedoel maar, die vrouw is hier totaal onbekend. Voor hetzelfde geld is ze in de bossen terecht gekomen…” Hij wierp een blik op Daniël, die bewegingloos naar het glas water zat te kijken.
”U weet wat paniek en duisternis met een mens kunnen doen,” fluisterde hij. ”Kunnen we niet zelf een zoekactie starten?”
”Dat moet u weten,” antwoordde de agent. ”Maar ik raad het u niet aan. Ze kan overal zijn. Morgen zal ik contact met u opnemen om de stand van zaken te horen. Als ze morgenavond om half zes nog niet terug is, geven we haar op als vermist.”
Daniël snikte.
”Als u nog iets te binnen schiet,” zei de agent terwijl hij een kaartje uit zijn binnenzak viste, ”kunt u me altijd bereiken.”
De agent knikte hen ter afscheid toe en verliet het huisje.
Het bleef even stil. De manager en zijn assistente wisselden wat onzekere blikken. Alsof ze zich afvroegen wat ze met Daniël aanmoesten.
”Gaan ze zoeken?” vroeg Daniël opeens. Hij keek de manager met grote ogen aan. ”Gaan ze naar Veronique zoeken?”
De manager kon niet anders dan zijn hoofd schudden.
”Het is te vroeg,” legde zijn assistente uit. ”Ze kunnen pas iets doen als ze een hele dag weg is.”
Daniël keek strak voor zich uit.
De manager zag aan zijn blik dat hij de hoop had dat ze ieder moment binnen kon stappen. Met een pakje sigaretten in haar hand, verbaasd de manager en zijn assistente hier aan te treffen. Maar de klok tikte onverbiddelijk door en er verscheen geen Veronique.
”We kunnen niets meer doen nu,” zei de manager, terwijl hij zijn hand nogmaals op Daniëls schouder legde. ”Alleen afwachten.”
Hij keek hulpzoekend naar zijn assistente.
”Voor u is het misschien goed als u even op bed gaat liggen,” zei de assistente. ”Even uw gedachten op een rijtje zetten. Of neem een bad, dat kan ook helpen.”
”Wij moeten er nu vandoor,” zei de manager. Hij voelde zich enigszins schuldig dat hij Daniël alleen moest laten, anderzijds opgelucht dat hij deze vreemde situatie achter zich kon laten. ”Als je hulp nodig hebt, kun je naar ons toekomen. Je weet waar we zitten.”
Daniël knikte afwezig.
De manager en zijn assistente trokken hun jassen aan, wierpen nog een blik vol medeleven op Daniël en gingen naar buiten.
Daniël dronk met trillende handen het glaasje Spa leeg. Het koude water deed hem goed.
Veronique is weg, ging het door hem heen.
Een warm bad nemen…
Op bed gaan liggen…
Ammehoela! Hij had wel wat beters te doen!
Daniël trok zijn jas aan en sloot het huisje af. Hij stapte in zijn auto en startte de motor. Het was tegen negen uur en al aardig donker. Hij deed de koplampen aan en begon te rijden.
Het vakantiepark was vrijwel verlaten. Slechts achter een paar ramen brandde licht. Onderweg kwam hij niemand tegen. Hij liet de hefbomen al snel achter zich en reed over een steil weggetje naar beneden. Daar was het stadje waarover de manager had gesproken. Het stadje met de supermarkt die wat langer open was dan die op het park.
Tot hoe laat?
De supermarkt lag aan een grote weg. Ervoor stonden nog wat auto’s geparkeerd. Daniël reed er voorbij tot hij op een hoofdweg uitkwam, langs de rivier. Pas na vier kilometer sloeg hij linksaf een bruggetje over en ging het bos in. De weg ging vrij steil omhoog. In zijn spiegels zag hij de lichten van een ander stadje. Hij reed tot hij niet verder kon en stapte toen uit.
Voor hij aan de slag ging, rekte hij zich even goed uit.
Daniël was goed voorbereid.
”Wat doe je nu weer?” hoorde hij Veronique in gedachten zeggen. Hij was juist het huisje binnengekomen met een van de koffers. ”Ik heb toch tegen je gezegd dat je eerst die andere koffer uit moest laden? Dat heb ik je toch gezegd?” Ze vloekte grof. ”Wat ben je toch een nutteloos individu, Daniël. Dat ik het met jou vijfentwintig jaar heb volgehouden!”
”Maar popje,” had hij nog geprobeerd.
”Nee, zoek het maar uit! Ik ga sigaretten halen.”
Ver was ze niet gekomen…
Daniël liep tot aan het met stenen verzwaarde zeil even verderop tussen de bomen. Hij knikte tevreden toen hij zag dat het er nog net zo bijlag als een week geleden. Hij legde het zeil aan de kant. Ook het gat eronder was nog steeds in tact.
Hij ging terug naar de auto en opende de kofferbak om het grote, in vuilniszakken verwikkelde lichaam eruit te tillen. Een voet met een roze naaldhak stak door een opening naar buiten, maar dat gaf niet. Zonder moeite sleepte hij het pakket naar de rand van het gat. Er lag een doffe glans in zijn ogen toen hij naar het lichaam aan zijn voeten keek.
Morgen moest hij nog even de rol van gebroken echtgenoot spelen, daarna lag een nieuw leven voor hem. Een leven zonder beautycases, sigaretten en roze naaldhakken.
Hij knielde bij het gat en liet het lichaam er voorzichtig in wegzakken.
Het was tijd om vijfentwintig jaar huwelijk af te sluiten.

© 2007, Theo-Henk Streng.

Bloody Mary

Theo-Henk Streng Bloody Mary
Bas bracht de drie cocktails op een dienblad de kamer binnen.
”Zo te zien heb je er op geoefend,” zei Frank. Hij nam gretig een van de glazen over en zette zijn lippen tegen het glas. ”Smaakt niet gek.”
”Hij kan misschien nog iets roder, iets bloediger, maar het ziet er niet verkeerd uit. Leuk, die zwarte rietjes,” zei Daphne.
”Ik heb mijn best gedaan. Volgende keer ben jij aan de beurt, Frank.”
Frank lachte. ”We kunnen onderhand wel een clubje oprichten. Het Bloody Mary clubje.”
Ze hadden de hele avond achter de spelcomputers van Bas doorgebracht, zoals ze wel vaker deden op zaterdagavond. Het was nu elf uur. Tijd voor een borrel, vonden de jongens.
”Als jullie straks maar helpen met het wassen van die glazen. Mijn vader vermoordt me als hij er achter komt dat ik aan zijn wodka heb gezeten.” Gelukkig waren zijn ouders naar een feestje en verwachtte hij ze voorlopig nog niet terug.
”Geen probleem,” zei Frank. Hij liet zich achterover op Bas’ bed vallen en nipte tevreden van het drankje. ”Toch vreemd. Ik vind die tomatenzooi normaal niet te zuipen. Maar een beetje alcohol doet wonderen!”
Daphne dronk wat minder gulzig.
”Wisten jullie trouwens dat Bloody Mary meer is dan alleen een cocktail?” zei Frank ineens. Hij had zijn glas al half op. Bas was er soms jaloers op zo snel als zijn vriend kon drinken.
”Ja, ik heb wel eens zoiets gehoord,” zei Daphne. ”Was ze niet een koningin in Engeland of zo?”
Frank haalde zijn schouders op. ”Zoiets ja, maar ik bedoel meer het duistere verhaal van Bloody Mary.” Hij maakte een griezelig gebaar met zijn handen en liet zijn stem trillen.
”Is ze niet een spiegelheks?” vroeg Bas. ”Volgens mij heb ik daar laatst nog een reportage van gezien op televisie.”
”Inderdaad,” zei Frank. ”Het schijnt dat je haar op kunt roepen, voor de spiegel. Als je haar naam noemt, een keer of wat, verschijnt ze.”
”En dan?” vroeg Daphne.
Frank haalde zijn schouders op. ”Dan niks,” zei hij. ”Weet ik niet. Ik heb wel eens verhalen gehoord dat meisjes gillend de badkamer uit zijn gekomen, met uitgekrabde ogen en zo…”
”Hè gatver! Frank, houd op!”
”Hier heb ik het al,” zei Bas. Hij was achter de computer gaan zitten en had een of andere duistere pagina tevoorschijn getoverd van het internet. ”Bloody Mary… een gevaarlijke entiteit” – hij fronste zijn wenkbrauwen – ”die middels een spiegel en het uitspreken van haar naam op te roepen is…”
Frank kwam overeind en liep naar de computer toe. Hij nam een slok van zijn cocktail, die nu bijna leeg was. ”Precies,” zei hij en tikte met zijn vinger op het beeld. ”Zorg ervoor dat het zo donker mogelijk is, zet twee kaarsen naast de spiegel en roep haar naam drie tot dertien keer…”
”Je neemt dat toch niet serieus?” vroeg Daphne wegwuivend. Maar in haar stem klonk een spoortje van angst.
”Probeer jij het?” vroeg Frank weerleggend. ”Ik geloof die bullshit ook niet, maar het lijkt me beter om er niet mee te spotten.”
Er verscheen een glimlach op haar gezicht. ”Nee, nee, Frankie,” zei ze. ”Volgens mij ben je gewoon bang!”
”Wat nou?!” Frank stak verwerend zijn handen in de lucht. ”Die onzin? Daar laat ik me niet door afschrikken!”
”Maar het uitproberen doe je ook niet,” zei Daphne honend. ”Zie je wel Bas, precies wat ze op school zeggen! Een grote mond, maar een klein hartje. Annemieke zal nog raar opkijken als ze dit van je hoort…”
”Annemieke?” vroeg Frank. Hij sloeg de rest van de cocktail achterover. ”Wat wil je dan, Daphne? Zal ik het gaan proberen?”
”Hier staat wel, dat als je het verkeerd aanpakt, ze je de strot afsnijdt. Of je ogen uitkrabt, zoals bij dat meisje gebeurd is.”
”Via de spiegel zeker?” zei Frank ongelovig. ”Nou goed, Daphne, als het jou overtuigt – waar is een spiegel, Bas?”
”Ga je het proberen?” vroeg Bas verbaasd.
Frank knikte. ”De badkamer?” vroeg hij. ”Heb je kaarsen?”
Even later stonden ze met z’n drieën in een donkere badkamer. Twee kaarsen brandden naast de grote spiegel voor hun neus.
”Goed,” zei Bas. ”Volgens de omschrijving moet je het alleen doen. Wij wachten wel op de gang.”
”Weet je zeker dat je het gaat doen?” vroeg Daphne.
Het deed Frank plezier dat ze een stuk minder overtuigd klonk dan voorheen. ”Ja,” zei hij vastbesloten. ”Jij gelooft me niet, dus als er wat gebeurt weet je aan wie ik het te danken heb.”
”Frank, doe normaal!” zei ze. ”Misschien moeten we maar ophouden en gewoon een tweede Bloody Mary klaarmaken en dit alles vergeten?”
”No way,” zei Frank. ”Wegwezen. Ik ga Mary oproepen!”
Bas en Daphne bleven nog even vertwijfeld staan, maar na een ongeduldig gebaar van Frank lieten ze hem alleen. De kaarsen wierpen een demonische gloed over zijn gezicht, dat in de spiegel weerkaatst werd.
”Hebben we er nu wel goed aan gedaan?” vroeg Daphne toen ze op de gang stonden.
Bas haalde zijn schouders op. ”Hij wilde het zelf,” zei hij.
Een paar minuten gingen voorbij, terwijl ze schouder aan schouder voor de badkamer stonden. Daphne keek een paar keer vertwijfeld naar Bas op, maar Bas bleef naar de deur staren.
Het was doodstil in de badkamer.
”Moeten we hem niet halen?” vroeg Daphne.
”Nog even wachten,” zei Bas. Er speelde een glimlach op zijn gezicht. ”Het zou me niets verbazen als hij een grap met ons uithaalt en zo lang mogelijk daar blijft.”
”Zo is hij ook wel weer,” moest Daphne toegeven.
Bas liep naar de deur en legde zijn oor er tegenaan. Hij luisterde ingespannen, maar kon niets horen.
”Zullen we anders nog even gamen?” vroeg Daphne.
”En hem hier laten?” zei Bas. ”Nog eventjes. Ik geef hem nog een minuut. Dan gaan we kijken wat hij daar aan het uitspoken is.” Hij kreeg er zelf ook een steeds minder prettig gevoel bij. Het duurde wel erg lang zo.
”Geloof jij die verhalen?” vroeg Daphne.
”Nee,” zei Bas.
”Maar stel nu dat het wel waar is? Dat stond ook op die internetsites…”
”Dat doen ze expres,” zei Bas. ”Om andere mensen bang te maken. Sommige mensen kicken er nu eenmaal op. Het is net als met geesten oproepen. Dat schijnt ook zoiets vreemds te zijn.”
Daphne zweeg. ”Hoelang nog?”
”Een halve minuut,” zei Bas en hij glimlachte. Op de een of andere manier vond hij het wel grappig dat Daphne zo bezorgd was om Frank. Normaal zat ze hem altijd uit te dagen of het bloed onder zijn nagels vandaan te halen.
Ineens klonk vanuit de badkamer een ijselijke kreet.
Bas’ nekharen gingen overeind staan.
Het gejammer zwol aan en het geschreeuw van Frank ging door merg en been.
”Oh mijn god!” zei Daphne ontzet en ze legde haar handen tegen haar wangen. ”Dat klinkt niet goed! Frank!” Ze deed een paar stappen naar voren en wilde naar binnen, maar Bas hield haar tegen.
”Wat doe je?”
”Wat als… Straks is er iets in de badkamer!” zei Bas paniekerig.
”En Frank dan?” Daphne trok haar hand los en opende de deur.
Breed grijnzend kwam Frank de badkamer uitgelopen. Een gemene blik lag in zijn ogen en hij begon proestend te lachen.
”Jullie koppen!” riep hij en sloeg op zijn knieën van plezier. ”Daar alleen al voor doe ik het zo nog een keer over.”
”Flauwerd!” zei Daphne en ze sloeg hem tegen zijn schouder.
Frank voelde er niets van en stootte Bas speels aan.
Bas voelde zich weer rustiger worden. ”Heb je het echt gedaan?” vroeg hij beheerst.
Frank knikte. ”Ja, maar er gebeurde niets,” zei hij.
”Heb je niets gezien?”
”Alleen mezelf en die kaarsen. En…” Hij zweeg en keek vertwijfeld naar Daphne.
”En wat?” vroeg Bas.
”Nou, niets… Laat maar.”
”Nee, zeg nou!” drong Bas aan.
”Misschien dat er toch iets was. Ik zag een schim in de badkamer bewegen. Heel even maar, vlak achter me. Maar goed, dat zal wel door de spanning komen. Wat denk je, zullen we nog een cocktail maken?”
Hij keek hen beurtelings aan.
”Ik heb geen trek meer,” zei Daphne nurks. ”Ik ga naar huis.”
”Hm, oké,” zei Frank. ”Het is eigenlijk ook al laat.”
”En de glazen dan?” vroeg Bas. De angst voor Bloody Mary had alweer plaatsgemaakt voor zijn vader, als hij ontdekte dat ze aan zijn wodka hadden gezeten.
”Snel dan.”

Een paar minuten later stonden ze buiten.
”Maandag hebben we die toets voor aardrijkskunde,” zei Frank. ”Die ga ik morgen maar eens leren.”
”Je bent weer mooi op tijd,” zei Daphne snerend.
”Maak je geen zorgen, ik red me wel. Ik bel jullie nog! Slaap lekker!”
Bas knikte ter afscheid terwijl Frank op zijn fiets stapte.
”Geen nachtmerries vannacht, Daphne,” zei hij met een knipoog.
”Maak je geen zorgen,” zei Daphne. ”De enige die nachtmerries gaat krijgen is Frank, als ik met hem klaar ben.”
Bas glimlachte, maar zag op dat moment iets in zijn ooghoek opdoemen. ”Frank!” schreeuwde hij, maar hij was te laat. Daphne keek met open mond toe wat er gebeurde.
In een noodgang reed de vrachtwagen over de weg. Frank schrok kennelijk van het bulderende geluid, maakte een rare zwaai en kon niet op tijd wegkomen. De vrachtwagen probeerde nog te remmen, maar het had al geen zin meer. Hij ging veel te hard. Met een oorverdovende smak werd Frank omver gereden. Een vreselijk geluid weerklonk toen de vrachtwagen over hem heen reed en zijn schedel verbrijzelde.
Hij was op slag dood.

© 2007, Theo-Henk Streng.