Lees alles over De Nalatenschap, Uitgebroken, Nick en oom Frans en andere boeken van Theo-Henk Streng

De rattenjager

Warfel wreef in zijn handen. ”Nu heb ik je, vuil kreng…”
Hij zette voorzichtig een stap dichterbij en keek naar de gestalte voor hem op de grond. Met samengeknepen, angstige oogjes keek het beestje Warfel aan, die hoog en dreigend boven hem uittorende.
Warfel strekte zijn armen en telde in gedachten van drie naar nul om toe te slaan.
Nog even keek de rat om zich heen, maar er was geen uitweg meer. Hij was ingesloten.
Toen sloeg Warfel toe en mepte het dier op zijn kop. Piepend werd het dier verpulverd door de Gouden Gids. Bloed spatte in het rond, ook op het behang.
”Oóóh meneer Warfel!” jubelde de vrouw die achter hem stond. ”Wat goed van u! Ik wist wel dat een rattenjager zou helpen! De mensen zijn zo te spreken over u!”
Warfel lachte en wuifde het weg. ”Dan zult u me er vast wel goed voor betalen,” zei hij.
”Maar natuurlijk, meneer Warfel!” De vrouw trok haar portefeuille tevoorschijn en stak hem zonder te kijken wat biljetten toe.
Met het geld in de hand en een brede grijns op zijn gezicht verliet Warfel het huis en stapte in zijn bestelbusje. Rattenjager, dacht hij. Ik had het vak veel eerder moeten kiezen. Veel leuker dan conciërge of bejaardenverzorger. Nu snel naar huis, dan kan ik douchen en de rest van de avond doorzakken in de kroeg.
Genietend bij dat vooruitzicht reed hij de straat op. Hij wist dat er over hem gesproken werd in de buurt. Ze noemden hem ook wel de Rattenvanger, maar rattenjager vond hij een beter woord.
In de afgelopen maanden had hij aardig wat ratten opgeruimd en veel huishoudens blij gemaakt. Binnenkort zou hij waarschijnlijk eens bij de garage gaan informeren naar wat die sportwagen moest kosten. En een leuke vakantie kon onderhand ook wel weer.
Bij het volgende kruispunt was de weg ineens afgezet met grote, gele borden.
”Wat zullen we nu beleven?” vroeg Warfel zich hardop af, terwijl hij door zijn haar krabde. ”Omleiding? Waarvoor in vredesnaam?”
Toen hij die ochtend hierheen was komen rijden, was er nog niets aan de hand geweest.
Warfel trok zijn schouders op en besloot er maar niet moeilijk over te doen. Hij sloeg rechtsaf en volgde de weg naar de polder, een weg waarover hij lang niet meer gereden had.
Met een grote grijns op zijn gezicht dacht hij terug aan zijn rattenavonturen. Het had even geduurd, maar hij had zijn passie gevonden. In dit beroep kon hij zowel zijn frustratie als zijn genoegen kwijt. Het gevoel dat hij kreeg als hij zo’n vuilak verpletterde… daar kickte hij op.
Warfel reed verder en verder de polder in, zonder zich af te vragen waarom hij de enige op de weg was.
”Een wegomleiding,” mopperde hij. ”Zijn ze nu helemaal van de ratten besnuffeld?” Hij gierde het uit van zijn eigen grap.
Lachend reed hij verder de polder in, dieper en dieper. Nevel steeg op uit de smalle slootjes en begon steeds dichter te worden. Een dikke mist begon zich als een mantel om zijn bestelbusje heen te vormen.
Warfel fronste toen hij echt geen hand meer voor ogen zag en ontstak de mistlampen van zijn busje. Niet dat dit veel uitmaakte. Hij zag nog steeds niks.
”Voor den drommel,” mompelde Warfel, terwijl hij de auto tot stilstand bracht. ”Waar komt die mist ineens vandaan?”
Boos opende hij zijn portier en stapte uit. De grond voelde nat en glibberig aan. Om hem heen waren flarden van dikke mist. Hier en daar ving hij een glimp boom of struik op. Ook weerklonk er geritsel om hem heen.
Warfel trok zijn neus op en kneep zijn ogen tot spleetjes. Het zag er niet al te best uit, besefte hij. Hoe moest hij hier nu weer uit zien te komen? Voor zover hij wist was de polder behoorlijk groot en was het zeker nog vier kilometer naar de stad.
En waarom was hij hier de enige?
Een onbehaaglijk gevoel bekroop hem en Warfel werd zowaar een beetje bang. Hij kreeg het gevoel dat iemand naar hem stond te kijken vanuit die dichte mist. Toch liet hij zich niet kennen en liep terug naar zijn auto.
Hij wilde plaatsnemen achter het stuur, toen hij iets onder zijn kont voelde bewegen. Piepend schoot een schaduw onder zijn broek vandaan de auto uit. Het verdween in de mist en hij zag nog net een staart wegschieten.
”Wel alle donderstenen nog aan toe!” gromde hij.
Als dat geen rat was, wist hij het ook niet. Warfel wilde de deur van zijn busje dichttrekken, toen hij ze zag zitten. Buiten, om zijn auto heen. Ratten.
Heel veel ratten.
Overal om hem heen weerklonk gepiep. Vanuit zijn ooghoeken ontwaarde Warfel de krioelende massa die daar voor hem zat. Ratten in allerlei soorten en maten. Bruin, grijs en zwart, zo groot als een vuist of als een voetbal…
”Wat is dit nu weer?” vroeg hij zich hardop af. ”Waar komen al die rotbeesten ineens vandaan?”
Hij maakte een dreigende beweging naar de beesten, riep een keertje ”Ksst!” maar ze bleven onverschrokken zitten. Snel trok hij zijn portier dicht. Hij wilde de motor starten, toen hij een beweging op het dak hoorde. Trippel trappel trippel… Nu liep er ook al zo’n beest over zijn bestelbus heen. En alsof dat nog niet genoeg was, verscheen een dikke rat voor zijn ruit. Het dier loerde met snode oogjes naar binnen.
Warfel draaide de sleutel in het contact. Het leek hem het beste om te maken dat hij hier weg kwam. Hij had hier helemaal geen goed gevoel bij.
De bestelbus kwam direct op gang en stapvoets reed hij verder. Hij voelde de auto schokken en schudden en besefte dat de ratten niet opzij gingen voor hem. Kennelijk liet hij een spoor van rattenhuid en bloed achter.
Het gepiep was duidelijk hoorbaar. Nee, gepiep was niet het juiste woord. Het was eerder gekrijs dat overal om hem heen weerklonk.
Met zijn tanden op elkaar geklemd glibberde hij verder over de weg, tot een onverwachte beweging volgde. Door het raam ontwaarde hij nog net op tijd een dikke boom. Voor hij er tegenaan zou rijden, gaf hij een flinke ruk aan het stuur, met alle gevolgen van dien.
Warfel voelde de auto schokken terwijl die recht een slootje in donderde. Hij trapte nog op de rem, maar het had geen zin meer. Water spatte langs hem op en onderaan de deur liep het gelijk naar binnen.
Vloekend draaide Warfel het raampje open, in een poging aan het vieze water te kunnen ontsnappen.
Even gebeurde er niks en was het doodstil buiten. Ook de ratten lieten niets van zich horen. Waren ze weg?
Maar op het moment dat Warfel zijn hoofd naar buiten stak, werd hij overvallen door een enorme golf van stinkende, vochtige vacht.
De bruine, grijze en zwarte dieren begaven zich piepend en krijsend achter elkaar de auto in. Het waren er ontelbaar veel. Aan de golf leek geen einde te komen. Warfel werd er letterlijk door overspoeld en kon ze overal voelen.
Hij stak zijn handen uit en gilde het uit. ”Ga van me af! Néé!”
Schuddend zakte de bestelbus verder het slootje in. Onder het gewicht van de honderden, duizenden ratten verdween het steeds verder in de modder.
Warfel kon de ratten voelen, horen en zelfs proeven. Door zijn geschreeuw had een van de beesten zijn kop in zijn mond gestoken en bungelde nu ergens in zijn keel. Rochelend smeekte Warfel om genade, denkend aan alle ratten die dankzij hem het veld hadden moeten ruimen.
Maar de ratten gaven hem geen genade. Niemand deed dat. Het water kwam steeds hoger en was ijskoud.
De bestelbus zakte dieper en dieper weg, opgeslokt door de mist en het donkere water.
Van de rattenjager werd nooit meer iets vernomen.

© 2007, Theo-Henk Streng.