Lees alles over De Nalatenschap, Uitgebroken, Nick en oom Frans en andere boeken van Theo-Henk Streng

Geregel in Javendeel

Bon pakte de foto van zijn vader en keek ernaar.
Het vriendelijke gezicht dat van de vergeelde foto terugstaarde deed hem pijn. Hij moest denken aan zoveel fijne momenten die hij en zijn vader samen hadden meegemaakt. Kleine dingetjes als de grapjes die hij maakte en zijn verzameling bierviltjes. Maar ook het kajakken in de Ardennen en kamperen op Terschelling. Eigenlijk zou hij ze ergens op moeten schrijven, om ze nooit meer te vergeten.
Een week geleden was het gebeurd. Gewoon op straat.
Zomaar neergestoken. Een mes in zijn buik, zodat het leven langzaam uit hem was weggevloeid. Waardoor hij nog een aantal minuten had moeten lijden.
Bon voelde tranen over zijn wangen lopen. Zijn vader was vermoord. Hij was dood.
En Bon had nog steeds zijn problemen.
Hij keek op de klok. Het was half acht. Tijd om te gaan.
Beneden trok hij zijn leren jasje aan en stapte op zijn sportfiets. In de stad was het donker en verlaten. Het was herfst en net had het nog geregend. Veel mensen waagden zich bovendien niet meer op straat om heel andere redenen.
In het donkere winkelcentrum stonden twee jongens op hem te wachten. Lantaarnpalen waren hier lang geleden al vernield.
Bon kon de jongens vanaf een afstandje zien. Een van hen zat op een scooter, de ander stond ernaast. Handen in de zak, een sigaret in de mond.
”Ah, kijk eens wie we daar hebben!” riep de jongen op de scooter. De noemden hem Dino, maar hij kon net zo goed anders heten.
”We stonden al te wachten,” zei de jongen die Geert heette. Hij gooide zijn peuk op de grond en trapte hem uit.
Bon slikte en zette zijn fiets opzij. Het laatste stukje liep hij naar de jongens. Hij stak zijn handen in zijn zak, net als zij.
”Heb je ons geld?” vroeg Dino.
Bon knikte.
Dino gleed van zijn scooter en kwam naar hem toe. ”Laat maar zien, dan,” zei hij.
Bon stak zijn hand in zijn broekzak en haalde er vier biljetten van vijftig euro uit. Hij voelde zich zo schuldig. Die morgen had hij het geld uit de portemonnee van zijn moeder gepikt. Ze wist van niks, helemaal niets van zijn problemen. Ze had er nu zelf wel genoeg. Vroeg of laat zou hij haar het geld teruggeven.
”Tweehonderd?” vroeg Dino, quasi verbaasd.
”Meer heb ik niet,” zei Bon. Het was een gewoonte geworden en hij wist al wat komen ging.
”Is niet genoeg, hè? Tweehonderd was het vorige week, nu is het vierhonderd!” Dino stak zijn hand uit en grijnsde leep.
Bon zuchtte. Natuurlijk had hij dat niet.
Een half jaar geleden was het begonnen. Eerst met een zakje wiet, dat werden er vanzelf meer, tot Dino aanbood hem het grovere werk te leveren. Pakjes cocaïne en wat pillen. Een tijdje had hij flink wat gebruikt, maar inmiddels was Bon er vanaf. Ondanks de dood van zijn vader gebruikte hij al een paar weken niks meer. Het had moeite gekost, maar het was hem gelukt. Zonder professionele hulp! Helemaal er vanaf.
Dat viel niet te zeggen van zijn schuld bij deze twee. De ‘schuld’ van tweehonderd euro, die nu ineens vierhonderd was, precies zoals hij eerder was opgelopen van twintig naar veertig, van zestig naar honderd en van honderd naar tweehonderd.
”Vierhonderd euro, Bonny,” zei Dino.
”Dat kun je niet menen,” zei Bon. ”Ik heb je al bijna duizend euro betaald door die zogenaamde schuld van je. Het moet ergens ophouden!”
”Of anders?” vroeg Geert gevaarlijk. Hij boog zich met een lepe blik naar Bon. ”Ga je dan naar de politie? Of…” Hij keek even naar Dino voordat hij zijn zin afmaakte. ”Of ga je naar je pappie?” Geert sloeg zogenaamd geschokt zijn hand voor zijn mond. ”Oh nee, dat gaat niet meer!” riep hij uit. ”Pappie is dood!”
Dino grijnsde breed. ”Heb je het gesnopen?” vroeg hij. ”Vierhonderd euro binnen twee dagen. Anders steek ik ook je moeder dood, begrepen?”
Bon voelde alle kleur uit zijn gezicht wegtrekken. ”Hebben jullie…?” stotterde hij.
De gezichten van Dino en Geert waren ijskoud. Ze hadden hem zolang onder druk gezet. Dino had vaker gevraagd of hij van zijn ouders hield en als Bon dan ‘ja’ zei, bedreigde Dino hem door te zeggen dat hij dan vooral moest doen wat hem gevraagd werd. Maar die bedreigingen had hij nooit zo serieus genomen. Dino en Geert waren dealers, woekeraars en hooguit twee jaar ouder dan hij. Maar moordenaars…? Hadden ze het echt gedaan of was het enkel grootspraak?
”Zorg voor het geld, Bon,” zei Geert. ”En je moeder zal niks overkomen.”
”Kom,” zei Dino en hij trommelde ongeduldig op zijn scooter. ”Stap op, Geert. Er moet nog wat geregeld worden in Javendeel.”
Ontsteld keek Bon hoe de dealers op Dino’s scooter stapten en er met een noodgang vandoor scheurden, richting de nieuwbouwwijk. Boven hem scheurde de hemel open en begon het te miezeren.

Diezelfde miezerige regen viel een kleine kilometer verderop neer op de vele stenen en grafzerken, die uit de aarde omhoog staken en zich dreigend aftekenden tegen de halfvolle maan.
Hoog in een dikke boom zat een kraai, die krijsend wegvloog op zoek nar een beter onderkomen. Dat vond hij in een andere boom, met meer bladeren.
Aan het uiterste eind van de begraafplaats kwam een zware, rechthoekige steen in beweging. Er lagen nog verse bloemen op en er brandde een kaarsje in een potje dat de regen en wind tegenging.
Met een stroef geluid schoof de steen een eindje op. De kaars viel om, maar bleef branden.
In dunne flarden nevel werd een lijkbleke hand zichtbaar, gevolgd door een arm. Een tweede hand en arm verschenen en schoven de steen nog verder opzij, zodat er wat meer ruimte ontstond.
Een man in een zwart pak en een zwarte das richtte zich op. Hij rekte zich wat onhandig uit en opende zijn mond wagenwijd. Een losse kies viel uit zijn mond op de steen. Hij liet hem liggen, want hij had er toch niks meer aan. Zijn gezicht begon al wat gelig te worden en in zijn huid waren aardig wat scheurtjes ontstaan.
De man stapte onhandig uit het graf, stootte zich tegen een andere zerk en ging struikelend op weg naar de uitgang van de kerkhof.
De kraai staarde hem zwijgend na.
De man duwde het hek open, terwijl hij dacht aan zijn zoon. Een paar dagen lag hij hier nu al onder de grond, maar van rusten kwam niet veel met zo’n jongen.
Eerst moest er nog wat geregeld worden in Javendeel.

© 2007, Theo-Henk Streng.