Lees alles over De Nalatenschap, Uitgebroken, Nick en oom Frans en andere boeken van Theo-Henk Streng

Vossenjacht

Theo-Henk Streng Vossenjacht
In nog geen tien minuten raakten Rino en Fred hun groepje kwijt. Sebastiaan en de rest stonden te zeuren bij juf Ingrid, die verkleed als dinosaurus door de Gasperstraat doolde.
Tien minuten was de vossenjacht pas bezig en nu al waren ze hun groepje kwijt. Goed werk. Daar waren ze het over eens.
”Als ze maar niet denken dat wij de rest van de middag met ze meelopen,” zei Rino. ”Die kinderachtige vossenjacht kan me helemaal gestolen worden. We zijn toch geen kinderen meer?”
Zijn vriend Fred knikte. ”Laten we snel die puzzelstukjes bij elkaar zoeken, dan hebben we dat maar vast gedaan. Misschien kunnen we onderweg in de supermarkt nog een zak chips en wat flesjes RedBull kopen.”
”Goed idee,” vond Rino.
Ze liepen de hoek om en keken op de plattegrond die de juf hen had meegegeven. Ze moesten binnen de wijk blijven. Het winkelcentrum lag erbuiten en ze hadden veel zin om daar wat rond te gaan hangen. Zo op de vrijdagmiddag was daar zat ongein uit te halen. Maar ze konden straks niet met lege handen op school aankomen. Als juf Ingrid er achter kwam dat ze niet hadden meegedaan zou ze vast een straf bedenken. Nee, ze moesten bewijsmateriaal verzamelen om aan te geven dat ze wel hadden meegedaan, maar hun groepje – die duffe Sebastiaan – waren kwijtgeraakt.
”Daar is er een,” zei Rino. Hij wees op zijn plattegrond. De jongens keken de Wilgenlaan in en daar bevond zich inderdaad een verkleed persoon.
”Jullie zijn vroeg,” zei de vrouw, die verkleed was als straatmuzikant. ”En zijn jullie maar met z’n tweeën?”
Rino snoof zijn neus en gaf geen antwoord. Dat mens moest niet denken dat hij deze vossenjacht serieus nam! ”Hier is mijn kaartje,” zei hij en duwde het in haar hand. ”Wilt u een handtekening zetten?”
De vrouw keek ernaar en krabbelde haar handtekening. ”Jullie moeten nu wel een dansje voor me doen,” zei ze.
Rino fronste. ”Wat?”
”Een dansje,” zei de vrouw met een zoete glimlach. ”Dat is de opdracht. Anders krijgen jullie je puzzelstukje niet.”
”Bekijk het even,” zei Rino. Hij trok het kaartje uit haar hand en maakte dat hij wegkwam. Fred volgde hem op de voet, nagestaard door een verbijsterde straatmuzikant.
”Zo komen we natuurlijk niet snel aan die puzzelstukjes,” zei Fred. ”Als we overal van die stomme opdrachten moeten doen.”
Rino haalde zijn schouders op. ”We jatten er straks wel wat van andere groepjes. Sebastiaan zal vast alles verzamelen. Die kan dan mooi een paar stukjes missen.”
”Hij zal ze ons nooit geven,” zei Fred.
”Dat geloof ik ook niet,” zei Rino. ”Maar ik vraag me af wat hij liever mist; een paar puzzelstukjes of zijn voortanden…”
Ze liepen steeds verder de Wilgenlaan door en kwamen al aan de rand van het aangegeven gebied. Iets verderop begon de Spechtstraat. Aan het eind ervan – om de hoek – was de supermarkt.
Hoewel Fred het niet tegen zijn vriend zou zeggen, voelde hij opeens dat er iets vreemds in de lucht hing. Een gevoel was het. Een raar en onheilspellend gevoel. Toen ze de Spechtstraat inliepen, nam het alleen maar toe. Het was net of er een onzichtbare hand om zijn nek was gelegd, klaar om zijn keel dicht te knijpen. Fred huiverde. Het leek wel of in deze straat meer schaduw was dan in de rest van de wijk. En dat terwijl de zon zojuist achter een wolk was verdwenen…
”Heb jij nog geld?” vroeg Rino.
”Een tientje.”
”Moet genoeg zijn. Ik betaal je straks wel terug.”
Fred luisterde niet naar wat zijn vriend zei. Hij was alleen maar bezig met dat rare gevoel en kreeg heel erg de drang om om te draaien en terug te lopen. Gewoon mee te doen met die vossenjacht en weg hier. De Spechtstraat. De straat lag er al jaren, al kon hij zich niet herinneren wanneer hij er voor het laatste geweest was. Maar wat er ook in de lucht hing, het voorspelde weinig goeds.
”Pst,” klonk het ineens.
Fred keek geschrokken opzij. Maar in de straat was niemand te zien. Alleen huizen met tuinen en hekken ervoor. Hier en daar een geparkeerde auto, maar voor zover Fred wist zeiden die geen ‘pst’.
”Wat is er?” vroeg Rino. ”Loop eens een beetje door, we hebben niet de hele dag de tijd.”
”Pst, hierheen,” klonk het toen.
”Hoor jij dat niet?” vroeg Fred aan Rino. Zijn vriend bleef staan en keek hem verbaasd aan.
”Jongens,” zei een stem. ”Kom maar hier… Ik heb een extra puzzelstukje voor jullie…”
Rino keek in het rond. ”Wie is daar?” vroeg hij.
Ze deden een paar stappen naar voren, maar er was nog steeds niemand te zien. Ook niet achter de geparkeerde auto’s. Ze liepen verder langs het huizenblok, tot ze bij een schuurtje kwamen. Daar weerklonk de stem ineens weer.
”Jongens… Rino en Fred… Een extra puzzelstukje? Dat kunnen jullie vast wel gebruiken!”
Fred en Rino keken elkaar stomverbaasd aan. Dat was het moment dat de gestalte zich losmaakte uit het struikgewas en breed grijnzend de straat op kwam lopen. Hij was verkleed in een wit schort en had een witte muts op. Op zijn schort zaten rode vegen.
”Wie bent u?” vroeg Rino, ietwat vertwijfeld.
”Ken je me niet meer?” vroeg de man.
Fred rilde toen hij het zich herinnerde. Meester Jan, dacht hij. Dit is meester Jan. Hij keek eens goed naar het gezicht van de man. Rimpels en donkere ogen, als zwarte kolen in hun oogkassen gepropt. Hij slikte, maar was er zeker van. Dit was meester Jan, de meester die ze vorig jaar in groep zeven hadden gehad.
Wat doet hij hier?, dacht Fred. Meester Jan was van school gegaan. Overspannen geraakt toen ze hem tot wanhoop hadden gedreven. Het was al op de eerste dag begonnen, toen Rino paperclips tussen zijn brood had gestopt.
De dagen erna was meester Jan uit het klimrek in de gymzaal gedonderd, omdat Rino het had losgekoppeld van de muur, en waren de banden van zijn auto lek gestoken. Een dag later die van zijn fiets, tot meester Jan voortaan maar lopend naar school was gekomen. Rino had er zijn doel van gemaakt om de meester het leven zo zuur mogelijk te maken, omdat die hem zijn telefoontje had afgenomen. Meester Jan had het zwaar te verduren gekregen en was uiteindelijk ten onder gegaan aan de treiterijen van zijn groep zeven, aangevoerd door Rino.
Fred wist het nog goed allemaal. Zeker het moment waarop de emmer van meester Jan was overgelopen. Nadat Rino – zogenaamd per ongeluk – een beker koffie in zijn tas had leeggegoten, had meester Jan kort zijn vuisten gebald. Vervolgens waren zijn ogen een paar tellen ijskoud en op Rino gericht geweest. Daarna was hij kalm opgestaan, de klas uitgelopen om nooit meer terug te komen.
En daarom vond Fred het ook zo vreemd dat meester Jan hier verkleed rondliep tijdens de vossenjacht. Betekende dat dat meester Jan weer terug was op school? Dat hij het opnieuw ging proberen? Op zich was dat geen gekke gedachte.
Rino scheen intussen ook te beseffen wie er voor hem stond. ”Dag meester,” zei hij, maar zijn stem klonk weinig enthousiast.
”Dag Rino.” Meester Jan grijnsde zijn tanden bloot. ”En Fred… Lang niet gezien, jongens…”
”Nee,” zei Rino. Hij krabde op zijn achterhoofd.
”Niet zo beteuterd kijken. Ik ben het maar!” Meester Jan grinnikte. ”Ik heb wat voor jullie, voor de vossenjacht. Loop maar even mee naar binnen.”
Er lag iets dwingends in zijn stem en hoewel Fred heel goed doorhad dat er iets niet klopte, liep hij achter meester Jan aan, misschien omdat Rino dat ook deed. Ze gingen het schuurtje in en daar overviel hem een vreemde kou.
”Wat heeft u voor ons, meester Jan?” vroeg Rino.
”Een bijzonder iets,” zei meester Jan. Hij sloot de deur en liep achter de jongens aan naar een grote werkbank in het schuurtje. Erop zag Fred een heel arsenaal aan messen en bijlen liggen en hij kreeg zo het idee dat dit niet goed ging aflopen.
”Als wat bent u eigenlijk verkleed, meester Jan?” vroeg Fred. Hij kon het niet helpen dat zijn stem oversloeg.
Kalm, maar uiterst beheerst, nam meester Jan een van de bijlen ter hand en veegde het lemmet schoon. Een vriendelijke glimlach krulde zijn gezicht. Hij keek de jongens beurtelings aan. ”Slager, kinderen,” zei hij toen. ”Ik ben verkleed als slager…”

*
”We hoeven er nog maar een paar.”
Sebastiaan draaide zijn plattegrond een paar keer om, terwijl Ineke en Kasper over zijn rug meekeken.
”Daar,” zei Sebastiaan. Hij wees de Spechtstraat in. ”Volgens mij staat daar iemand.”
”De Spechtstraat? Die telt niet meer mee,” zei Ineke. ”We moeten de andere kant op.”
”Nee hoor.” Sebeastiaan keek nog steeds de Spechtstraat in en nu zagen ook de anderen dat daar iemand stond. Sterker nog; dat daar iemand naar hen zwaaide.
Met z’n drieën holden ze naar de persoon toe.
”Bent u ook van de vossenjacht?” vroeg Sebastiaan. Hij haalde snel een pen tevoorschijn, zodat de man kon tekenen. Hij wilde geen enkele handtekening mislopen. Juf Ingrid moest niet denken dat hij niet alles had kunnen vinden!
”Reken maar, kinderen,” zei hij toen.
Bij het horen van zijn stem, keken de drie kinderen verrast omhoog. ”Meester Jan?” vroeg Ineke verbaasd. ”Bent u het echt?”
”Zeker,” zei meester Jan. ”Zoals je ziet!” Hij grinnikte en plukte wat aan zijn slagerspak. ”Mooi verkleed, vind je niet?”
Ontgoocheld staarden ze hem aan. Ze wisten nog maar al te goed wat er vorig jaar gebeurd was.
”Zijn jullie maar met z’n drieën?” vroeg meester Jan, terwijl hij het kaartje van Sebastiaan aannam.
”Rino en Fred zijn ervandoor,” zei Sebastiaan. ”Ze vonden het vast niet leuk.”
”Nee, dat zal best kunnen,” zei meester Jan en hij glimlachte mysterieus terwijl hij Sebastiaan het blad teruggaf. ”Wacht even… Ik heb nog wat voor jullie. Een extra puzzelstukje, zeg maar. Als alle groepjes langs geweest zijn, moet je op school maar kijken wat het is.” Hij haalde twee in plastic gewikkelde voorwerpen tevoorschijn en gaf ze aan Sebastiaan.
Die keek er verbaasd naar. ”Wat zijn dat, meester Jan?”
Ineke trok haar wenkbrauwen op. ”Zijn dat handen?” vroeg ze.
Meester Jans ogen fonkelden. ”Kijk er maar naar op school,” zei hij. ”Veel plezier verder, kinderen!”
Terwijl ze verder liepen, bekeek Sebastiaan de in plastic gewikkelde handen.
”Wel leuk dat meester Jan meedoet,” vond Kasper.
”Ja,” zei Sebastiaan. ”Hij was altijd erg creatief. Moet je die handen zien! Er zit zelfs bloed aan!” Hij stak ze in de lucht en bekeek ze bewonderend. ”Net echt, vind je niet?”

© 2008, Theo-Henk Streng.