Lees alles over De Nalatenschap, Uitgebroken, Nick en oom Frans en andere boeken van Theo-Henk Streng

Nick Lombok

Een vrouw op de achterbank
De boeven openden allebei een portier en schoven naast hun oma. ‘Jullie lelijke deugnieten’, kraaide oma. Nick verzamelde al zijn moed en keek in het spiegeltje. Oma gaf de jongens allebei twee kussen op hun wangen en aaide ruw hun kortgeschoren hoofd. Vervolgens vouwde ze haar handen tot knuistjes. ‘Herman en Norbert … Wat fijn om jullie weer bij me te hebben’, kirde ze. ‘Vanavond komt oom Harold jullie ophalen. Hij brengt jullie naar het buitenland, zodat jullie uit de handen van de politie blijven.’
(uitgeverij Averbode, 2009)

Een hard gelach
‘Met andere woorden, Lombok, zit je diep in de problemen.’ Oom Frans slikte. Nick, die naast hem zat, slaakte een diepe zucht. Het was weer eens zover. Zijn oom had zich goed in de nesten weten te werken. Hij was zojuist naar huis gebracht door de politie en even later had deze man op de stoep gestaan.
‘Maar ik …’
Je bent op heterdaad betrapt’, zei de man in het pak stellig.
‘Toen je die auto wilde openbreken. Vast en zeker om die laptop eruit te stelen.’
(uitgeverij Averbode, 2010)

Moord op bestelling
‘Je beseft toch wel wat je gaat doen?’ vroeg Nick.
Oom Frans en hij zaten in de auto, op weg naar het hotel van Dikke Joop.
‘Jawel’, zei oom Frans.
‘Maar het kan je niet schelen?’
Nick vond het ongelofelijk. Oom Frans werkte mee aan het op pad sturen van een huurmoordenaar! En het leek hem weinig uit te maken!
‘Ik kan niet anders’, zei oom Frans. ‘Dikke Joop heeft gelijk. Ik moet het goedmaken met hem, anders maakt hij gehakt van me. Dat kan ik er nu niet bij hebben, Nick. Dat snap je toch wel?’
(uitgeverij Averbode, 2011)


Een gestreept probleem
Aan het einde van de weg was een auto verschenen, die rustig naar het tankstation kwam rijden. Toen de auto vlakbij was, zag Nick dat het niet zomaar een auto betrof. Het was een pikzwarte limousine, met meerdere deuren.
Als een slang kwam het voertuig aangereden, geruisloos bijna.
De auto draaide het terrein op en kwam een paar meter bij hen vandaan tot stilstand. In de verte zakte de zon nu volledig achter de horizon. Het werd donker en fris.
Het achterste raampje van de limousine ging open. Een wolk rook kwam naar buiten.
Oom Frans liep richting het raampje en boog zich naar binnen. 
Hallo? vroeg hij.
Nick volgde hem. Hoewel het raampje open was, was het pikdonker in de auto. Hij kon niet zien of er iemand zat, al rook hij de sterke geur van een sigaar.
(uitgeverij Averbode, 2013)


De Incoonroof
We moeten waarschijnlijk door de struiken richting de villa, zei oom Frans. Dan zien we daar wel hoe we binnenkomen. Hij liep naar de kofferbak van zijn auto, opende die en rommelde er wat in. Hij stak een tang in de lucht. Die zal ons goed van pas komen, zei hij. Laten we gaan, Nick. Je hebt gehoord wat Joop zei. We hebben geen tijd te verliezen.
Bent u niet bang dat u herkend wordt? vroeg Nick aarzelend. Hij keek naar oom Frans, die zoals altijd gekleed ging in een wit colbertje met krijtstreep, een smerig roze poloshirt en afgetrapte sportschoenen.
Herkend? Hoe bedoel je?
Nou, we zijn hier niet bij de minste thuis. Ik neem aan dat er camera’s en alarmsystemen in en om de villa hangen…
Daar leek oom Frans van te schrikken. Hm, mompelde hij. Je hebt gelijk. Wacht even… Hij liep terug naar de auto en boog zich over het dashboardkastje. Nick zag hoe hij twee zwarte vodden tevoorschijn haalde. Altijd handig, zei oom Frans.
(uitgeverij Averbode, 2013)